Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
mensch meer waard vinden dan den ander, en dat gevoel
te kennen geven, door hem met meer eerbied en onder-
scheiding te behandelen." — „Maar vader! alle menschen
zijn immers elkander van nature gelijk, en hebben gelijke
regten; de een is zoo goed als de ander?'' — „AVie heeft
u dat geleerd ?'' — Ik antwoordde daarop, dat ik het van
den meester geleerd had, bij wien ik toen op de avond-
school ging, bjj gelegenheid, dat wij in de Vaderlandsche
Historie de daden van den Admiraal De Ruiter lazen. Vader,
zag ik, meesmuilde, en trok een gezigt, alsof« hij zeggen
wilde: hoe zot! Daarop den wagen neerzettende en daarop
gaande zitten, wreef hij zijn voorhoofd, alsof hjj zich be-
dacht, en vroeg mij toen: „Waarom neemt gij toch altijd
zoo diep de muts voor Ds. B. af?" — „Omdat hij zulk
een braaf en liefderijk man is, vader!" — „Maar is dan
onze overbuurman, de smid, niet een braaf man, die voor
zijn broeders weduwe en hare kinderen den kost wint?
en dien knikt gij op zijn best toe, als gij hem goeden
dag zegt." „Onze buurman is ook geen Dominé, en zulk
een' man kan men niet bejegenen als ons gelijk, vader!"—
„Gij maakt dus onderscheid, jongelief, tusschen menschen
van verschillenden stand in de wereld?" — „Wel zeker,
vader!'' — „In dit opzigt zijn de menschen dus niet gelgk,
niet waar?" — „Neen, vader!" — „Maar in weik opzigt
zjjn zij het dan? Wanneer ik den schatrijken Heer met
den armen drommel vergelijk, die daar deszelfs schoe-
nen poetst, kan ik ook niet veel gelijkheids vinden. En
hoe, meent gij, zoude de kamenier, die ons gisteren dat
fijne schaartje bragt, waarvan zij de punt had afgebroken,
het opnemen, indien gij schele Mie met haar gelijk in schoon-
heid steldet? Zij zoude zeker u zoo vriendelijk niet aan-
kijken, als ik gisteren zag, dat zij deed. Zoudt gjj denken,
dat ik bij zinnen was, indien ik beweerde zoo sterk te zijn
als Jan de zakkedrager, die op ons kamertje woont, of zoo