Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
153
wel twintigmaal meer waard." — „En toch is die oude,
leelijke knol, even goed als de schimmel, een paard. Is er
dan verschil in de waarde der paarden, naar hunne ver-
schillende hoedanigheden, zoo zoude ik ook meenen, dat
er verschil moet zijn in de waarde der menschen." —
„Nu, vader, geloof ik, dat gij mij voor den gek houdt.
Een mensch is toch geen beest, dat men voor geld koopt."
— „Ei, jongen! wilt gij dien ouden knol koopen, of den
schimmel?" — „Geen van beiden." — „Gij ziet dus, dat
een ding voor ons grooter of kleiner waarde kan hebben,
zonder dat men het juist voor geld behoeft te koopen."
— „Ik zoude ze toch kunnen koopen, vader!" — „Wat
zoudt gij er dan wel voor willen geven, zoo gij 't hadt?"
— „Ik gaf voor den knol geen veertig guldens, en wel
een zak guldens voor den schimmel." — „Zoo: maar als
de koopman nu geen geld wilde, maar verlangde, dat gij
voor hem schreeft?', — „Ik schreef geen maand voor den
knol, en wel langer dan een jaar voor den schimmel, dag
en nacht." — „Maar indien hij nu alleen wenschte, dat
gij een bepaald getal buigingen voor ieder paard maakte ?"
— »Wel, als hij zoo zot was, boog ik voor den schimmel,
dat ik het spit in mijn' rug kreeg." — „Gij ziet dus,
vriendje, dat men, om de waarde der dingen te bepalen,
ze juist niet met geld behoeft te koopen." — „Ik koop
ze dan toch, vader, en ze worden mjjn." — „Ook dat.
Maarten, doet er niets toe, als men de waarde van iets
schat. Waarom zijt gij verleden week, op dien warmen dag^
heel naar Zandvoort gegaan?" — „Omdat er een walvisch
aan strand gespoeld was." — „Zoudt gij er wel heengaan,
als er een kabeljaauw gestrand was?" — »Wel, vader!"
— „Wel, Maarten! wat was u nu meer waard; het zien
van den walvisch of van een kabeljaauw? Gij ziet dus,
jongen, dat men waarde aan dingen kan hechten, zonder
dat het koopen te pas komt. Ik kan dus ook den eenen