Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
152
zalfdoos en het lancet zou besturen. Die tijd is ook ge-
komen; en ik wandel nu rond, om de magen en beenen
van de boeren in orde te houden. Intusschen keer ik nog
altijd met vermaak tot vorige tijden terug, vooral tot mijne
wandelingen met vader, omdat ik altijd met genoegen aan
den man denk. Hij wist mij steeds aangenaam bezig te
houden, vormde mij, zonder dat ik het merkte, tot een
braaf en werkzaam man, en zoo ik, tevreden met mijn lot,
een gelukkig leven leidde, heb ik dit aan hem te danken.
Dit was iets, waarop hij telkens terugkwam: tevreden te
zijn met zijnen staat, dien van anderen, boven ons verhe-
ven, niet te benijden, noch hen kinderachtig te beknibbe-
len in die onderscheiding, waarop zij, met regt, aanspraak
maken. Mij heugt nog, hoe hij eens, ziekelijk en zwak
zijnde, en met moeite gaande, op den Binnen-amstel met
zijn' zwaren wagen voor een jong Heertje uit den weg
ging, dat, in 't voorbijgaan, nog met een ligt stokje, hetwelk
hij in de hand had, tegen ons groot wiel sloeg. „Wel,
vader!" vroeg ik hem met eene zekere gemelijkheid,
„waarom gaat gij voor dien jongen uit den weg?"—„Het
is de zoon van Burgemeester * * *" was het antwoord. —
„Maar wat doet er dat toe, vader! of hij het zoontje van
den Burgemeester is?" — „Dat wij minder zijn dan hij.
Maarten; en waar meerderman komt, moet minderman
wijken." — „Wel, vader! wij zijn immers zoo goed als
hij, redelijke menschen, die eerlijk ons brood winnen: waarin
zijn wij dan slechter ?" — „Dat heb ik niet gezegd; min-
der is niet slechter." — „Nu dan, minder zijn wij toch
ook niet." — „Wel jongen! ziet gij dien ouden knol, die
daar de zwaargeladene slede de groote sluis optrekt?"
— „Ja, vader!" — „Wat paard zoudt gij liever hebben,
dien knol, of den schimmel, waarop straks ons die Officier
voorbijreed?" — „Is dat eene vraag, vader! wel, den
schimmel, dat is klaar, die is toch schooner en vlugger, en