Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
149
er in ieder onderwerp, dat men beschrijft, eene zekere
kleur, welke de stjjl eens schrijvers moet wedergeven.
Een ander is het gevoel, dat de dood eener aangebedene
moeder; een ander, dat het bijwonen van eenen veldslag;
een ander, dat de opgaande zon; een ander, dat de schoon-
heid eener vrouw in ons verwekt. Alle deze wijzigingen
van het gevoel des schrijvers moeten duidelijk in zijnen
stijl uitkomen, of zijne voorstelling zoude niet volkomen
zijn. Wel nu, M. H. die zal hij u wedergeven, indien
hij schrijft gelijk hij denkt; als hij het woord, de uitdruk-
king ter neder schrijft, die onmiddelijk met het gevoel
uit zijn hart opwelt, en dus woord en denkbeeld als
ligchaam en ziel aan elkander vastzitten. Dan zult gij de
teederheid des zoons voor zijne moeder, de ijzing van den
menschenvriend over zijne geslagte broederen, en de ver-
rukking van den jongeling over het voorwerp zijner liefde,
beurtling in zijnen stijl zien ademen. En dan alleen, wan-
neer hij zich moet bedenken, en dus studeert om het regt
mooi te krijgen, zal alle natuur en waarheid uit de voor-
stelling zijner aandoeningen geweken zijn. Gij verstaat mij
immers wel, M. H! Wanneer een leeraar op de stoel zijne
gemeente tot bidden wilde opwekken, en gij hem hoordet
zeggen, „Laat ons met de steenen des gebeds de poorten
des hemels indonderen?" Zoudt gij zulk eene uitdrukking
met het plegtig gevoel, dat den leeraar voor den troon
des oneindigen moet bezielen, weten overeen te brengen?
Of wanneer gij eenen officier aan zijne manschappen in
het gelid hoordet bevelen, „Mag ik de vrijheid wel bezigen,
mijne kameraden, u te verzoeken, om uwe ligchamen naar
den regter kant om te wenden?" Zoudt gij in zulk eenen
stijl den mannelijken geest van bevel en stipte gehoor-
zaamheid, die de ziel van het krijgswezen is en in eiken
braven krijgsman huisvest, kunnen terugvinden ? En
geeft het korte en krachtige, regtsom keer, u dien geest