Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
het ontbrak in de kerk niet aan menig gezelschap, waar
men, door een wel fluisterend, maar toch vrij drek en
aanhoudend gesprek, bewees, hoe de muzyk maar het
voorwendsel was van de verschijning daar ter plaatse: en
zelfs zovl hier en daar een lonkje, in 't voorbijgaan ge-
schonken, een wenk, een woord, een handdruk, in 't geheim
gewisseld, den spotter in de verzoeking gebracht hebben,
de woorden uit de Granida van Hooft hier eenigzins ge-
wijzigd in toepassing te brengen, en te zeggen:
Indien de Kerk eens klappen kon,
Wat meldde ze al vrijaadje!
Onder de weinigen, die zich door niets schenen te laten
aftrekken van het genot, dat de muzyk hun aanbood,
merkte onze jonge Gouverneur een vrouw op, die met
den rug naar hem gekeerd, en den arm gevende aan een
rijzigen jongeling, als een standbeeld onbewegelijk stond.
Ofschoon hij haar gelaat niet zien kon, maakte hij op uit
de tengere rankheid harer gestalte, en uit de heerlijke
blonde lokken, die over haar schouders golfden, dat zij
nog in den bloei der jaren was. Dat zij daarbij ook schoon
moest zijn, leed bjj hem geen twijfel; want gedurig kwa-
men er jonge lieden haar begroeten, die blijkbaar niets
liever verlangden dan een praatjen met haar aan te knoo-
pen, doch er niet in slaagden; daar de lichte hoofdbui-
ging, waarmede hun groet beantwoord werd, scheen te
kennen te geven, dat zij daar niet kwam om te snappen,
maar om te luisteren. Onze jonge vreemdeling gevoelde
zijn nieuwsgierigheid opgewekt oui haar, die een voorwerp
van vrij algemeene bewondering scheen, in't aangezicht te
zien; doch hij was niet alleen, en oordeelde dat het voor
zijn kweekeling een slecht voorbeeld zijn zou, indien hij
zijn plaats met zulk een bedoeling verliet. 'Bovendien was
hij zelf een te groot minnaar der toonkunst, en te veel