Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
147
dus den ganschen schat der taal aan; gij spoort hare
hulpmiddelen van heinde en verre op, en beproeft die.
Deze oefening zet gij zoo lang voort, tot gij ten laatste
eene behendigheid en vaardigheid verworven hebt, die
u nooit om het woord of de uitdrukking verlegen laten.
Gelijk den schilder, die na jaren oefening de teekenkunst
en de behandeling der kleuren meester is geworden, einde-
lijk de beelden uit zijne ziel door het penceel als 't ware
op het paneel vlieten, met dezelfde en nog veel grooter
gemakkelijkheid ontvloeijen uwe ziel dan de woorden, die
de ware voorstelling uwer denkbeelden met zich brengen.
Als gij uwe eerste proeven naziet, zult gij bevinden, dat
gij wel de ruwe omtrekken der gedachte, maar geenszins
hare fijne schakeringen hebt uitgedrukt, en dewijl het
juist door deze schakeringen is, dat wij ons van elkander
onderscheiden, terwijl de ruwe omtrekken van het denkbeeld
in ons allen vrij gelijk zijn, zoo ziet gij hier eene voldoende
reden, waarom middenmatige schrijvers veel op elkander
gelijken. Daar zij geenen voorraad van woorden hebben,
noch de spreekwijzen en duizendvormige wendingen der
taal magtig zijn, is er boven dien iets onbehelpelijks en
armoedigs in hunne uitdrukking, het welk zoo weinig
onze aandacht trekt, dat wij er niets kenmerkends in
gewaar worden. Het gaat met middelmatige schrijvers
even als met kladschilders ; wij gaan ze beiden als karakter-
loos voorbij.
In welk een geheel ander licht vertoont de schrijver
zich aan u. Mijne Heeren, wanneer hij eenmaal zijn onder-
werp en zijne taal beide meester is. Dan kan hij zijne
pen geheel aan het bestuur der gedachten, die in hem
opkomen, overgeven, en alsdan zal hij ook eenen eigenen
stijl hebben. De meesten, gelijk ik zeide, hebben eenen
algemeenen stijl zonder karakter; zooals zij schrijven,
schrijven er honderd. Maar een goed schrijver heeft eenen