Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
natuurgenoot mededeelt. Dewijl het dier noch onze denk-
beelden noch onze spraakklanken bezit om ze uit te
drukken, kan het dus ook geenen stijl hebben. Eigenlijk
zijn het echter niet de woorden, die den stijl maken, maar
hunne opeenvolging en verbinding tot eenen volzin; en
de betrekking, in welke die volzin tot den voorgaanden
en den volgenden, ja, tot den geheelen draad der rede
staat. De woorden, welke wij bezigen, zijn dezelfde, allen
genomen uit den schat derzelfde Nederlandsche taal; maar
de wijze, waarop wij die woorden tot eene rede rang-
schikken, verschilt hemelsbreedte, en dat verschil maakt
juist het karakter uit van datgene, wat wij stijl noemen.
Wat ik nu gezegd heb omtrent den stijl in het spreken,
M. H. heb ik ook gezegd omtrent den stijl in het schrijven.
Het schrijven immers is niets anders dan de spraakklanken,
waardoor wij anderen onze denkbeelden uitdrukken, met
letters op het papier zigtbaar te maken. Wie de letters
leest, brengt de spraakklanken of woorden uit, die er
door aangeduid worden. Spreken en schrijven is dus het
zelfde, met dit onderscheid, dat het schrijven eêne af-
beelding van het spreken is.
Hieruit volgt dus, M. H. dat iemand, die schrijft, zich
altijd moet voorstellen, dat hij spreekt tot een ander.
Daardoor alleen zal zijn stijl dien toedrang en die leven-
digheid verkrijgen, die de aandacht van den lezer boeijen.
Wat mag toch wel de reden zijn, dat men bij de meeste
redevoeringen en predikatiën zoo veel geneigdheid voelt
om, even of ons heulsap ingegeven wierd, een slaapje te
nemen, en dat die zelfde redenaars in hun dagelijksch
gesprek dikwerf zeer onderhoudende zijn en ieders aan-
dacht weten te boeijen ? De reden is bij der hand, M. H.
Die redevoeringen zijn opgesteld in het studeervertrek,
dus in de afgetrokkene eenzaamheid, zonder dat de man
zich iemand anders voorstelde tot wien hij sprak dan zijn