Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
137
schappen met een kort en krachtig woord het vertrouwen
op zich zeiven wildet inboezemen, en gij vondt geen enkel
woord, dat u met gevoel en vaardigheid welsprekend van
de lippen vloog; zoudt gij in dat geval u zeiven kunnen
voldoen, wanneer gij bedenkt, hoe dikwerf door de taal
van een groot bevelhebber de wijkende krijgsdrommen tot
staan zijn gebragt, en de bloodaarts in leeuwen herschapen
wierden?
Verder, indien gij alle aanspraak op eenen goeden stijl,
hetzij in eenen brief, hetzij in een verslag, had prijs ge-
geven, dan zoude men daaruit in dezen tijd gevolgtrek-
kingen wegens uwe afkomst en opvoeding maken, op
welke gij geenszins gesteld zoudet zijn. Voert eenen goeden
stijl, M. 11. eene zuivere taal, in uwe brieven, en hij, die
u leest, zal, zonder u gezien te hebben, uit uw schrift
besluiten tot een man van gezond verstand, van goeden
huize, en veel opvoeding. Het algemeene vooroordeel doet
het kenmerk eener fatsoenljjke afkomst eenig bestaan in
zekere buigingen van het ligchaam, in sommige klank-
rijke uitdrukkingen van wellevendheid, en in een soort
van beuzelpraat, waarop de mode haar zegel gedrukt
heeft. Ik ben geheel geen vijand van deze schatting der
beleefdheid; want ik meene te weten wat elke elle van
dit bont in onze maatschappij, vooral bij de schonen,
geldt. Maar, M. H. wanneer iemand daarin uitgeleerd is,
en hij schrijft zijnen brief of brengt zijn verslag uit in
den stijl eener keukenmeid, dan heeft hij veel van eene
herberg, waar een fraai modisch uithangbord voor prijkt,
doch de tafel mager, de wijn zuur, en het ledikant hard is.
Vergunt mij, M. H. nog eenen stap voorwaarts te wagen.
Zoo even mogt ik u zeggen, dat de krijgsmansstand met
de vorderingen, welke alle standen in geestbeschaving
gedaan hebben, gelijken tred behoorde te houden, en in
het vaardig schrijven zijner moedertaal dus bij niemand