Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
vereerd wordt. Verg. Ond. en P h a n t. b]. (129).
Valt het zoo moeijelijk, ja bijna onmogelijk, den Schrijver
en zijn' stijl af te scheiden van de omstandigheden van
tijd en plaats, ten einde het eigenlijk individuëele van zjjn
karakter in den stijl te doorzien, niet minder moeijelijk is
de bepaling van het karakter zelf, de bepaling, wat eigenlijk
de mensch is. Vertoont zich het karakter van den mensch,
wanneer de ziel door drift beroerd, of door lijden ver-
weekt, of door verontwaardiging ontgloeid is: wanneerde
geest overprikkeld of door magnetische handgrepen opge-
wekt wordt? Neen, die uitstortingen des gemoeds mogen
zich naar het verschillend karakter verschillend wijzigen,
het zijn overdrijvingen, enkele vlugtige tusschenpoozen
vergeleken met het duurzaam bestaan des menschen. De
eigenlijke mensch ligt dieper dan die uitwendige vertoo-
ning. De Schrijver, die slechts in die oogenblikken de pen
opvat opvat of zich zoodanig opwindt of opschroeft, geeft
zich zeiven niet weder, hij doet zich zeiven onregt. —
„Niemand," zegt de Hoogleeraar, „niemand zal in het wilde
„schrijven, die gedacht heeft, en wiens gedachten ont-
„sproten zijn uit een geoefend brein, en de vrucht en
„slotsom zijn van zijne verstands- en zielsbeschaving en
„den man zeiven voorstellen." — Bereken nu, hoeveel
studie er toe behoort, opdat de Schrijver zijn eigen geest
en gemoed in hunne schuilhoeken volge; bereken, hoe
ligt het mogelijk is, dat de Schrijver, in de studie van
zich zeiven, zich vleije, of bij vergelijking met anderen
zijn besluit make, dat hij zich in zijn' stijl beter vertoone
dan hjj is, of zich schikke naar het voorbeeld, dat een
ander geeft; overweeg nog eens, hoe veelomvattend dat
oude eeuwige voorschrift: ken u zeiven is, en beslist
dan ten eerste: hoe moeijelijk het is, dat een schrijver,
die denkt aan hetgeen hij schrijft, zich zeiven in zijn'
stijl voorstelle; ten tweede: hoe gevaarlijk het is voor