Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
gewikkeld tegen het slaafsche, vormelijke, nabootsende:
van oorspronkelijkheid en vrijheid verwacht hij vooruit-
gang. Maar de leus: Ie stile, c'est l'homme heeft, wij
spreken uit eigene ondervinding, iets dat verbijstert en
duizelig maakt: en toch, hoe meer wij het aphorisme
wikken en wegen, des te nader komt ons het denkbeeld,
dat daarin opgesloten ligt; het is alsof het tegen andere
aphorismen, die even gereedelijk zich laten nederschrijven,
botsen en schaven moet, vóór het zijnen zuiveren omtrek
en volle ronding hebbe. Of valt het niet even ligt te
zeggen: de stijl is de eeuw, de stijl is de natie, de stijl
is de mensch, zoo als hij wezen wil? Laat de regel van
Buffon, zoo als hij daar nedergesch reven is, het niet in
het onzekere, of hij als resultaat van ondervinding en
onderzoek, dan wel als voorschrift gelden moet? Ik wil
b. v. gelooven, dat wezenlijk groote mannen, van wier
naam een tijdvak in de geschiedenis van wetenschap of
letteren aanving, ook kennelijk in hunnen stijl, hij moge ons
fraai of leelijk voorkomen, het inwendig leven van hunnen
geest hebben voorgesteld. De namen van Plato, van
Aristoteles, van Erasmus, van Luther, van Locke, van
Voltaire, van Rousseau, van Herder, van Kant, van Pichte,
laten zich met vele andere vermeerderen. Maar zelfs bij
deze groote mannen en voortreffelijke schrijvers laat zich
vragen, wat hun zeiven als eigendom toebehoort en wat
van de natie, waaronder zij optraden, wat van hunne eeuw
en hunnen leeftijd ontleend was. Zij hebben op tijdgenoot
en nakomelingschap een krachtigen invloed geoefend; zij
hebben een' stijl geschapen, dien duizenden van minder talent
hebben nagebootst, omdat die vormen bij hunnen tijd het
gereedste ingang vonden. Maar die invloed zelf der uitste-
kende schrijvers, is hjj niet daaraan toe te schrijven, dat
zij hun onderwerp juist zóó begrepen, als in die tijden
noodzakelijk was; dat zij wisten, door welke redenen en