Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
129
naaste natuurlijke wijze van inededeeling is, trad op den
achtergrond, en daarmede de mensch, zoo als hij was. Dat
dit geschiedde, blijkt uit de verdeeling van den stijl; men
zonderde de stijlsoorten af naar den verschillenden aard
van het onderwerp des Schrijvers. Zoo ontstond er een
historische stijl, een betoogstjjl, wier hoofd'vereischte dui-
delijkheid was (een begrip, dat zelf onduidelijk is en
naauwkeurige omschrijving vereischt), een redekunstige
stijl, een briefstijl, enz. Eene andere verdeeling zag op
de eigenschappen van den stijl; maar evenzeer grondden
zich die onderscheidingen op iets uiterlijks, dat aan klee-
ding, houding of gelaat deed denken, en tot den grond
der uitwendige verschijning ging men niet terug. Want
de uiterlijke vertooning bedroog dikwijls. Toen men een-
maal den stijl van de gedachte, die hij omkleedde, had
afgescheiden, was het gemakkelijk voorschriften te geven,
hoe dat kleed wezen moest; maar hoe veel gevaar bestond
er niet, dat de mensch onder al die stijlregels zou lijden:
want de stijl was geen willekeurig omkleedsel, maar een
noodwendig voertuig, een hulpmiddel der gedachte, die
zonder vorm geene is. „Terwijl men dus den stijlvorm
naar vaste regelen dwingt, verknoeit men den mensch, die
in den stijl verborgen ligt; want de stijl is de gedachte,
de gedachte is de mensch: dus is de stijl de mensch."
Van daar de noodzakelijkheid eener verdeeling van den
stijl, afgeleid uit het karakter van den mensch; de Schrijver
geeft ons allergeestigste proeven van een' onopregten, een'
goedhartigen, een' knorrigen en ijdelen stijl. Wij herkennen
in de drie laatste de eigenschappen van drie bij ons heer-
schende stijlsoorten: de eerste alleen is wat al te zeer
gechargeerd, om haar voor die van iemand onzer
schrijvers te houden.
Het kan niemand duister zijn, waartoe de scherpzinnige
Redenaar zijne lezers brengen wil; weder is hij in strijd
9