Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
wandelde. — En Horatius, zijn navolger — fijner en juister
hulde kon er moeijelijk aan de vernuftige onderzoekingen van
Peerlkamp toegebragt worden, dan die, waarmede de heer
Geel het Gesprek over Poëzij en Arbeid besluit.
Roemden wij vroeger de billijkheid, waarmede de Hoog-
leeraar de letterkundige verschijnselen van latere dagen
beoordeelt, wij vinden dergelijke trekken in het genoemde
Gesprek weder. De Roman heeft, volgens hem, in onze
eeuw een' hoogeren trap dan ooit te voren bereikt. Hij
neemt dezen ten voorbeeld, hoe het doel der kunst niet
zonder studie en wetenschap bereikt kan worden; hoe
noodzakelijk tevens de heerschappij der laatste over de
eerste is. Niet van vlugtige opwellingen, niet van harts-
togt en opgewondenheid is vooruitgang voor de Poëzij te
wachten; maar van ernstige studie en bedaard overleg:
„want in de kunst heerscht éénheid; zonder haar is zij
geené kunst." Éénheid is het sieraad, de zenuw der hoog-
geprezene klassische voortbrengselen. Éénheid moet het
streven ook der latere Poëzij zijn, zoo zij dien naam waardig
zal dragen.
H.
Heeft de Schrijver in het vóór ons liggend stuk Melissus
trachten te bewijzen, dat uit het krachtige gezegde van
iemand op te maken zij, wat zijn karakter is, uitvoeriger
wordt deze stelling betoogd in het opstel Over eene
Nieuwe karakter-verdeeling van den Stijl. Bij
de Ouden was de stijl een hulpmiddel voor het geheugen,
eene oefening voor het spreken. Bij ons is het denkbeeld
gangbaar geworden, dat slechts in de geschreven rede stijl
te vinden zij, omdat de oorsprong zelf van het woord aan
schrijven en schrijftuig doet denken. Daarin vooral weken
wij van het begrip der Ouden omtrent den stijl af, dat
ons de stijl doel, geen middel werd. Het spreken, dat de