Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
127
zonder arbeid krachteloos en nietig is; dat voorbereiding
en werkzaamheid, geregelde redematige leiding en beheer-
sching van den geest onder den arbeid, voor de goede
Poëzij even noodzakelijk is, als voor ieder andere letter-
kundige bezigheid. Of kan de Poëzij hare stof, in den
volstrekten zin des woords, scheppen? ï^een, de Didaktische
Poëzij moet van de kennis der zaak, waarvoor zij regelen
geeft; de Verhalende van de studie der toestanden, die
zij beschrijft; de Dramatische van de karakterkennis der
personen, die zij opvoert, uitgaan; de herinnering van het
gevondene moet het werk des Dichters begeleiden. —
Maar de Lyriek, zal men zeggen, „de Poëzij bij uitnemend-
„heid, de Poëzij, die zich afsluit in haar zelve, en van de
„voorwerpen tot de eeuwige denkbeelden opklimt, zoodat
„de verbeeldingskracht in het gevoel wordt opgelost." —
Toch heeft de Ode een begin en een einde; en dat begin
en einde is het onderwerp, de stof der Ode, en dat begin
en einde moet door eene reeks van gedachten verbonden
worden, opdat er éénheid in den zang zij. En het zamen-
schakelen dier gedachten, opdat alles langs eenen kreits van
schoone beelden terugkeere tot het punt, waarvan de
Zanger uitging, vordert studie, en te dieper studie, naar-
mate de omtrek wijder genomen en de vlugt des Dichters
hooger is. Want die gedachte moet in beelden worden
voorgesteld, en die vlugt heeft het voertuig van woorden
noodig, en de taal moet door oefening worden beheerscht,
opdat de uitdrukking schoon en vloeijend en juist zij. Het
is eene dwaze meening, dat het groote voorbeeld der Lyriek,
Pindarus, zijne verhevenheid daaraan te danken had, dat
zijne verbeelding alle breideling van het verstand afschudde.
Dank zij het onderzoek der geleerdheid, dank zij der
studiën van Boeckh en Dissen, men heeft ontdekt, dat de
groote Thebaansche Zanger zelf zich aan wetten en regelen
bond, dat eene leidende gedachte door ieder zijner gezangen