Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
126
koste van studie en arbeid verheft. Het enthusiasmus,
zoo bet al de wetenschap laat bestaan, miskent hare
regten in de Poëzij; even begeerig naar onbepaald gezag
en invloed, als de partij, waartegen het overstaat,
weigert het zich aan den strengen toets der rede te onder-
werpen. De tirannie van het eerste, het fanatisme van
het andere, zijn even schadelijk. Want het onderzoek,
gegrond op de kennis van des menschen natuur, gebonden
aan de wetten zijner ontwikkeling, met het oog gerigt
op de volkomenheid, waarvoor hij vatbaar is, voorziet, in
den triomf van verouderd gezag, een' stilstand der bescha-
ving, eene verzwakking van den geest, een' langzamen
dood der wetenschap. Eene kunst, daarentegen, die zich
van de wetenschap onafhankelijk maakt; eene verbeelding,
die niet van de kennis van haar voorwerp uitgaat, onder-
mijnt en vernietigt zich zelve. En toch, het est Deus in
nobis is het schild, waarachter de Poëzij pleegt te schui-
len. Van ouds her heeft zich de meening voortgeplant,
dat zij niet het werk van studie, maar van eene hoogere
ingeving was, en boven de wetten verheven, waaraan zich
iedere andere werkzaamheid van den geest moest onderwer-
pen. Het is zoo: wij kunnen niet peilen, wat aan iederen
geest zijne rigting en zijne buitengewone kracht geeft:
voor ieder ander vak wordt gaaf en talent vereischt, en,
evenzeer als van den Dichter, kan men van den Staatsman,
den Natuur-onderzoeker, den Schilder, den Wijsgeer zeggen,
dat zij niet gevormd, maar geboren worden. Het komt er
slechts op aan, of de gunstige stemming van den geest,
die in hare doorgaande werkzaamheid talent en genie, in
hare gedeelde verschijning vlugheid heet, in haren oorsprong,
of door het voorwerp, waarop zij wordt toegepast, van
het enthusiasmus des Dichters verschilt. Want verschillen
die beide niet in haren aard en oorsprong, dan zal ook
omtrent het poëtisch vermogen de wet gelden, dat het