Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
123
gebondenheid voor bandeloosheid te houden! Onze gehoor-
zaamheid aan taalwetten, waarvan zij zich zoo dikwijls
ontslaan, is een band, die meermalea evenzeer knelt als
de maat hunner verzen. Ons Proza schijnt ongebonden,
maar het is omdat die band minder merkbaar is vooroor
en oog. Het schijnt vrij te wezen, maar die vrijheid is een
bijna oneindige uitbreiding, eene rekbaarheid, maar die
grenzen heeft, waarvan wij niet onkundig mogen zijn. Het
schijnt geen maat te hebben, maar het heeft er eene die niet
tastbaar is, die niet op de vingeren kan nagerekend worden.
Het schijnt geen klank of zang te hebben, doch het heeft
eene welluidendheid, die verscheiden, maar niet onbe-
stemd — die moeijelijk te bevatten, maar ook moeijelijk
voort te brengen — die het diepste geheim der kunst is.
Ik heb mijne taak volbragt, G. T. naar mijn vermogen.
Ik heb U willen herinneren dat de ongebonden stijl oefening
en kunst vordert. Het is de taal met hare bevalligheid
en kracht en rijkdom: het is de taal in haar ganschen
omvang. Geen rede is er denkbaar zonder spraak, even
min als eene spraak zonder rede. Die rede zong, gelijk
men beweert, in de kinderjaren van het menschdom; maar
zij was die der kindsheid. Zij bond zich, omdat zij het
genot der vrijheid niet kende. Hare uitdrukking geleek
nog niet naar de volkomene taal der beschaving, evenals
het wicht, dat met doeken en zwachtels omwoeld is en
nog weinig naar een mensch gelijkt. Het menschdom is
opgewassen, en de Poëzij is bij velen een kindsche ouder-
dom geworden; bij weinigen is zij natuur gebleven, met
de frischheid der jongelingschap. Maar het Proza heeft
zich allengs door denken ontplooid, door nasporing verrijkt,
en door kunst volmaakt.
Onze taal — Gij weet het, T. — wordt door weinige