Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
121
schreden. Komen die keurigheid en die takt óók vanzelfs ?
Dan zouden wij nooit geest in potsenspel zien ontaarden,
noch jokkernij in bespotting, noch scherts in bitterheid —
neen, het is een lange, langdurige oefening, het is een
moegelijke kunst, die dit krachtige, maar gevaarlijke,
werktuig leert hanteren. En zou de stijl niets toebrengen
tot de uitwerking van den inval ? — Een beroemd Engelsch
Redenaar overpeinsde de redevoeringen, die hij in de Raads-
vergadering houden wilde, maar hij schreef niets daarvan
neder. Doch zoo dikwijls hij een geestigen inval had —
en hij was er rijk in — teekende hij dien in verschillende
bewoordingen op, en prentte zich die uitdrukking in het
geheugen, waarmede zijne geestigheid het meest schitteren
en op de toehoorders het krachtigst werken kon. — Zijn
proza, zijn stijl ontving ze, even als de slijper den diamant.
Daar rijst een laatst gevaarte van rijm, van korte en
lange lettergrepen, van voeten en versmaten! De Dichters
staan er boven op, en zien ver over ons heen; en ik
vrees dat het ons niet gelukken zal hen allen nederwaarts
te lokken. Want zoo velen van hen als dit spel in bedwang
hebben, en daarin het wezen hunner kunst niet stellen,
die zullen vrijwillig afdalen en ons de hand toereiken:
maar er is eene onberekenbare menigte, die, zoo als Plato
zegt, aan de deur der Muzen aankloppen, die een ganschen
dag zwoegen over twee verzen, en een raad van vrienden
bijeenroepen, om te oordeelen: even als de dichter Boileau,
van wien men ook zegt dat hij een uitmuntenden aanleg
had voor h§t Proza — deze zullen wij moeten dwingen,
met een zacht geweld. Breken wij daartoe voorzigtig het
hooge timmerwerk onder hen weg, om hen zachtkens op
gelijken grond met ons te brengen!
Het rijm: — ja, het rijm, die beschaafde barbaarsch-