Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
of het beeldrijke geheel ongepast, of een gekozen beeld
juist en bevallig is, of men het te weinig uitgewerkt of
te uitvoerig geteekend heeft, indien men niet voorzigtig
en met beleid te werk gaat en zich zeiven plaatst op het
standpunt van lezer of toehoorder, opdat zij zich niet
verliezen in de beschouwing van het beeld, en het oog-
merk vergeten waarom het gebezigd is? Muretus zeide,
in het begin van eene zijner Redevoeringen, dat hij do
aandacht zijner toehoorders niet zou inroepen: „Welk
schipper, wanneer hij reizigers voor een vrachtloon over-
voert, zal hun vragen of zij zoo vriendelijk willen zijn,
met hem mede te varen?" Hierbij liet de fijne stilist het
blijven. Maar verbeeldt U dat hij het zoogenoemde derde
van vergelijking nog sterker aldus had willen doen spre-
ken „Gij zijt vrijwillig het vaartuig mijne Redevoering
met mij ingetreden: wanneer zij, met volle zeilen, U in
de haven der overtuiging brengt, dan zult gij mij het loon
eener voorbijgaande goedkeuring geven; maar gij zult het
mij altoos mogen verwijten, zoo wij schipbreuk lijden op
de blinde klippen van langwijligheid en verveling, en gij
ü naar huis redt, ieder op een stuk of plank van de kiel
mijner rede."
Laat ons eindelijk deze beeldengallerij verlaten! want
ik moet nog spreken van het geestige, van het vernuft,
van het zout der rede, als bijna uitsluitend het eigendom
van den ongebonden stijl. Ik bedoel, vooreerst, die bewe-
ging en levendigheid, welke in alle schrijfsoorten eene
meer of min ruime plaats vinden. Zij zijn gelijk aan de
stoffaadje van een landschap, in de schilderkunst. Wat er
tegenover staat, is mat, eentoonig, levenloos, doodscli.
Zoo ik mij niet bedrieg, dan is het eene dwaling, wan-
neer dat talent geheel voor eene kostelooze gift der natuur
gehouden wordt, omdat het natuurlijk, dat is ongedwon-
gen, los en gemakkelijk moet wezen. Bet moet vanzelfs