Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
118
Sempronia, die het vrouwelijk handwerk bedrijft; zij
eene Clelia, die zich in den kerker der huwelijkstrouw wil
laten opsluiten; zij eene Livia, die vleit zonder list of be-
drog; zij eene Faustina, die het huisgoed vermeerdert en
niet karig is. Zulk eene had het lot mjj gegeven; zulk
eene heeft het lot mij ontnomen. Maar zoo vele deugden
als ik herdenk, zoo veel gemis en smerten pijnigen mij:
wanneer ik ze vermeng en vereenig, dan word ik door
alle bijna overstelpt: wanneer ik ze wil onderscheiden,
dan ben ik op velerhande manieren ellendig."
Meer schrijf ik niet af, maar het zij in het voorbijgaan,
en ter eere van Van Baerle, gezegd dat hjj verder (want
het is een lange brief) minder heidensch over zijn onge-
luk en zijne onderwerping spreekt.
De geschiedenis zegt niet, voor zoo veel mij bekend is,
hoe groot een deel Huijgens in het leed van zijnen vriend
genomen heeft; maar, mij dunkt, zoo de inhoud hem heeft
bewogen, de vorm van den brief heeft hem zeker niet
minder bedroefd.
De vergelijking der twee voorgelezene stukken zou mij
aanleiding kunnen geven tot menige opmerking; maar Gij
zult ze voor IJ zelve nog beter kunnen maken. Ik zeg
alleen: hoe rijk is het opstel van Barlaeus! hoe schitteren
daarin zijn belezenheid en zijn wetenschap! hoe kunstig
is het! hoe heeft hij wel moeten arbeiden, om zulk een
krioelend gewemel van personen en leenspreuken in zoo
naauw eene ruimte in te sluiten! Maar, herinnert U dat
Cicero zeker weinig minder gelezen had en wist; dat hij
zeker niet armer geweest is in verbeelding dan Barlaeus;
dat zijne eigenliefde hem misschien niet minder aanspoorde
om ten toon te spreiden wat hij vermogt; en rekent dan
na hoe diep bij hem het inzigt was in eene kunst, waar-
aan hij zoo veel kon opofferen. Immers, hoe zal men weten