Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
117
deze Eurydice terughalen, al blafte Cerberus mij nog zoo
aan. Indien ik Admetus was, zou ik doen, wat Aleestis
gedaan heeft. Indien ik Antoninus was, ik zou mijne Barbara
niet minder, dan hij zijne Faustina, als eene Godin ver-
eeren. Nog kort geleden, als ik mij van ernstige studie
wilde verpoozen, begaf ik mij in de aanminnige wijk-
plaatsen der Pegasiden, dan eens naar het spel van
Anacreon, dan weder naar de bevalligheid van Catullus,
of naar de weelderigheid van Tibullus en Propertius; of,
als hel nieuwere mij aanlokte, dan baadde ik mij in de
kusjes van Secundus. Thans, nu al het vrolijke mij mis-
haagt, wil ik liever in de Tristia van Ovidius, in de
Epicedia van Statius, in de Tranen van Scaliger, weg-
smelten. Al wat treurig en akelig is, trekt mij zoo zeer
aan, dat ik al mijne vrienden wenschte te zien schreijen.
Ik wenschte alle Hollanders in rouw te zien, opdat ik
van alle kanten den aanblik van ongeluk en ellende mogt
genieten. Ik wenschte dat de zon in een eeuwigen nacht
verholen bleef, en dat die helderheid van den dag voor
de stervelingen niet opging, waarop mijn licht, mijn leven,
mijn wellust is ondergegaan. Ik wenschte dat die ure uit den
Zodiac uitgeligt werd, die de laatste geweest is van mijne
beminde en van mijne vreugde. Ach, of eene Lethe mij
de herinnering van mijn vroegere leven ontnam, opdat
ik niet mogt herdenken, o mijne Barbara, aan die vrien-
delijke toespraak en alleenspraak en troost, waarmede gij
dikwijls uwen kwijnenden echtgenoot opgekweekt hebt! —
De Corneliaas, de Semproniaas, de Porciaas, de Cleliaas,
de Liviaas mogen groot geweest zijn: voor mij, Barbara!
zijt gij geen mindere heldin geweest. Ik zeg voor mij:
want ik heb zoo groot eene achting niet voor de moeders
der Gracchussen, die triumfen voor huwelijksgoed reken-
den. Zij is mij eene Porcia, die naar haren man luistert;
zij eene Cornelia, die voor haar kroost zorgt; zij eene