Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
geefs mijne Venus; maar wanneer de nacht zich over het
aardrijk spreidt, dan ben ik Morphens, en ik zoek de
schaduw mijner Psijche met eene ledige omhelzing. Zoo
gaat de tijd mij voorbij, onder zuchten, gesnik en
droevige gedachten. Mijne boeken zijn getuigen van mijne
klagten, mijn middag- en avondmaal van mijne tranen,
mijn dorpel, mijne slaapkamer, mijne sponde van mijn
geween. De pen, waarmede ik u en zoo vele vrienden
bezongen heb, is droog en slorpt geen inkt. Ik klaag
(om met Persius te spreken) dat het vocht verdikt in
mijn veder blijft hangen. Mijn papier trekt zich in
vouwen en rimpels zamen, omdat het geen dichtregelen
wil ontvangen. De kracht van mijnen geest is verslapt.
Mijn verzen stroomen daarheen, zonder wet en maat,
omdat mijne Terpsichore mij ontrukt is. Het verschil van
accenten is verloren; zij zijn alle zwaar (^uqutovoi) voor
mij. Geen voet staat overeind, omdat de mijne wankelt.
Mijne syllaben zijn stijf, omdat zij gevoel hebben
van mijnen rouw, en liever stom zouden willen zijn. In
het heldendicht ontbreekt mij die vrolijke sprong der
dactyli. In mijne jamben is nog meer mankheid dan in
de laatste lettergreep. In de elegie ben ik nog treuriger
dan de elegie zelve. In het lierdicht ben ik al te onge-
bonden. In den dithyrambus sta ik, als door den donder
getroffen, op ééne plaats, en ik onderscheid geen epanodos,
geen strophe en geen antistrophe meer. Welke Apollo zal mij
de vorige kracht hergeven? Welke Thalia zal in staat
zijn den lof mijner echtgenoot te verkondigen, die vroom
was zonder geveinsdheid, zedig zonder gemaaktheid, eer-
baarder dan hare eeuw, spraakzaam zonder praatzucht,
geestig waar het pas gaf, verstandig tot benijding van
haar geslacht, een voorbeeldige bestuurster van haar huis-
houden, haren man beminnende zonder dartelheid, hare
kinderen zonder zwakheid. Zoo ik Orpheus was, zou ik