Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
tamelijke netheid van het rouwgewaad, wanneer geen zeden
ons noodzaken onze kleederen te verscheuren en ons te
dompelen in ruige zakken en morsige assche.
Welligt zal men mij wederom tegenwerpen dat die kalme
soberheid, in Ciceroos klagt, geen andere oorzaak had dan
zijne opregte, ongeveinsde smart, en dat hem, daar hij
immers eenmaal meester in den stijl was, ongezocht die
woorden en die toon van uitdrukking invielen, waar de
omstandigheid mede overeenkwam. — Ik antwoord: wan-
neer zal ik leeren welke stijl aan ernst, opgeruimdheid,
weemoed of vrolijkheid past? Zal ik het leeren, wanneer
ik in geene van die gemoedsstemmingen ben? Dan zal
ik juist gevaar loopen van eene kunst te bejagen, waarvan
gij walgen zult. Het geheele leven met al zijn verschei-
denheid van omstandigheden, met de trapswijze vordering
onzer opvoeding — het geheele leven is onze oefenschool.
Maar ik heb nog beter antwoord. Heeft Van Baerle, onze
landgenoot, niet veel geschreven ? Heeft hij niet, in dicht-
werken en in kunststukken van welsprekendheid, zijne
zorg aan den dag gelegd en zijnen ijver om de Ouden op
zijde te streven ? Was hij niet geleerd en scherpzinnig ?
Was hij niet braaf en opregt, en was het een gering ver-
lies, toen zjjne echtgenoot hem ontviel ? En hoort evenwel,
hoe hij jammert over dat verlies, in een onuitgegeven
Latijnschen brief aan zijnen vriend Gonst. Huijgens:
„Een huisselijk onheil heeft mij getroffen, voortreffeljjke
Huijgens! Ik ben een tortelduif zonder ga, een olm zonder
wijnrank, een wandelaar zonder gezellin. Wanneer ik
Aurora aanschouw, dan jammer ik, arme Tithonus, dat
mijne Thaumantia niet opstaat:" Hier verzon zich Bar-
laeus; want Thaumas was de vader van den Regenboog,
en niet van den iVIorgenstond. „Wanneer ik den dag met
mijne oogen aanschouw, den klaag ik met Apollo, dat
mijne Leucothea niet meer leeft. Ik, Adonis, zoek ver-