Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
ving mjjß droevige gedachten; geen lust noch bezigheid riep
mij naar het Forum: het Eaadhuis kon ik niet aanzien: ik
meende — zoo als het was — dat ik de vrucht verloren
had van al mijnen ijver en van al mijnen voorspoed. Maar
wanneer ik overwoog dat ik dit met u en met anderen
deelde, en wanneer ik mij zeiven onderdrukte en mij
dwong dat alles met gelatenheid te dragen, dan wist ik
toch waarheen ik mijn toevlugt kon nemen; in wier toe-
spraak en zoeten omgang ik al dien kommer en al die
kwelling kon afleggen. Doch nu wordt door deze zware
wonde, ook wat genezen scheen weder opengereten."
Ik kon in mijne overzetting den ernst en de stille pracht
der latijnsche periode niet behouden; maar Gij ziet nogtans
dat in deze plaats slechts één beeld is, en dat zelfs de
verbloemde spreekwijzen, wier gebruik bijna onvermijdelijk
is, daarin geen kunst en geen studie verraden. Maar wie
denkt ooit aan studie, wie neemt ooit de kunst te baat,
wanneer hij eene aandoening wil openbaren, die uit het
diepste der ziel ontspringt ? — Ik beken dat de kreet der
smart ongekunsteld is; maar dien kreet heeft het rede-
looze vee met ons gemeen. Doch wanneer die smart zich
zal uitdrukken in woorden van den redelijken, verstandigen
mensch, dan wordt de taal het middel om onze gewaar-
wordingen te toetsen en te beproeven: de overspanning,
die zich toont in onzamenhangende weeklagten, houdt op,
en het onderzoek onzer innerlijke stemming scheidt al die
hartstogten af, die niet duurzaam kunnen zijn. Wat er
overblijft, en zuiver en echt is, dit aan anderen mede te
deelen en, zoo het mogelijk ware, in hen hetzelfde gevoel
op te wekken, dat in ons zoo levendig is — het woord
kunst moge ü mishagen, maar het is de kunst alleen,
die het ons doet gelukken. Wat zij daartoe bezigt,
sieraden, beelden, de wetenschap der kracht van één enkel
yoord, het is alles even min te veroordeélen als de be-