Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
Gaarne zoude ik U van alle die deugden en tegenover-
gestelde gebreken eenige proeven mededeelen of herinne-
ren; maar het bestek mijner rede vergunt mjj slechts dat
ik er ééne in het licht stelle, en ik kies daartoe twee
voorbeelden uit den dagelijkschen brievenstijl. — "Want de
grootste redenaar moge beschroomd zijn voor velen het
woord te voeren en zijne eigene stem te hooren, terwijl
allen zwijgen; de ervarenste schrijver moge huiveren het
boek, dat hij met zorg bewerkt heeft, door den druk ge-
meen te maken. Brieven schrijven — dit kan iedereen;
dit durven allen, en hoe weinigen voorzien er de open-
baarmaking van, na eigen afgeperste toestemming, of door
een onbescheiden nageslacht ? — En het is evenwel moeijelijk,
die gemeenzame taal te verlevendigen en te bezielen, op
dat hij, die uwen brief ontvangt, dien niet even min beware
als hij uwe woorden zou opgeschreven hebben, zoo gij ze
tot hem gesproken hadt. Ook hier behoeft de kunst zich
niet te schamen dat zij werkzaam is, waar geen vertoo-
ning gewacht wordt, waar alles natuurlijk moet zijn, even,
zegt men, als in het gesprek. Doch waartoe onthoud ik ü
nog langer den brief van Cicero aan zijnen vriend, waarin
hij over den dood zijner dochter spreekt? „Niet alleen
uwe woorden (zegt hij), en het deel, dat gij in mijne smart
neemt, troosten mij, maar zelfs uw gezag. Want ik zou
het berispelijk achten, indien ik mijn ongeluk niet zoo
droeg, als gij, een man van zoo veel wijsheid, zegt dat ik
het dragen moet. Maar ik word somtijds neergedrukt, en
met moeite overwin ik mijne droefheid, omdat mij die troost
ontbreekt, die anderen, wier voorbeeld ik mij voor den
geest breng, niet misten. Mij bleef, na het verlies van die eer
en waardigheid, waarvan gij melding maakt, en die ik met
moeite en arbeid verkregen had — die eenigste troost bleef
mij over, die mij nu ontnomen is. Geen zorg voor de belan-
gen mijner vrienden, geen zorg voor het gemeenebest onder-