Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
112
dige niet geheel op haar gemak is, terwijl die uitdrukking
nogtans het voornaamste sieraad der taal gerekend wordt,
dan moet zij zich, bij uitnemendheid, in den ongebonden
stijl bevinden.
Het is zoo: het Proza houdt gelijken tred met de be-
schaving: want het staat daarmede in een voortdurend
wederkeerig verband. Hoe naauwkeuriger de kennis wordt,
des te juister en volkomener poogt de taal ze mede te
deelen; eu hoe meer innemendheid en bevalligheid zij met
hare naauwkeurigheid vereenigt, des te beter ingang vindt
het gesprokene en het geschrevene. — Gij eischt niet dat
ik bewijze, wat aangenomen, maar wel eens vergeten is:
dat het groote geheim dier bevalligheid in het schilder-
achtige van den stijl ligt. Al wat natuur of kunst of we-
tenschap is, het kan alles dienen tot verfraaijing van den
stijl, en de voorraad van verwen en beeldwerk is onaf-
zienbaar groot. Doch, hoe bevoorregt die weinigen ook
zijn, die door gaven en door vlijt het bezit van zulk een
rijkdom verkregen hebben, het is minder moeijelijk dien
te vergaderen, dan met geen ongewasschen handen er in
rond te tasten — dan te weten wanneer mildheid betaamt,
wanneer spaarzaamheid pligt is; wanneer die schatten in
al hunnen glans mogen schitteren, en wanneer zij moeten
ontveinsd of geheel verborgen worden. Of mogen wij dit
gemakkelijk rekenen, terwijl wij zoo zelden een geschrift
ontmoeten, dat dien toets kan doorstaan? waarin het juiste
en onbedorven oordeel niet schraalheid en dorheid meent
te ontdekken, of uitstalling eener al te groote volheid en
overvoeding; eene netheid en gemaaktheid^ die, volgens
het oude verwijt, naar de lamp riekt, of eene slordigheid,
die zich losheid en onbedwongen zwier, bij verbloeming,
noemt — even alsof de schoone, die haar kleed schikt en
verschikt, dat het niet prange noch hare bewegingen be-
lemmere, alsof zij zich bevlijtigt slordig te schijnen !