Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
111
Homerus zeiven, hoe schoon dat beeld is, en hoe passend
in de Homerische wereld! Maar indien eene Hollandsche
overzetting reeds Hollandsche denkbeelden medebrengt,
wachten wij ons ten minste voor de navolging! immers
zoo wij niet een bijzonder doel hebben en ons de kermis-
vreugd van onze dagen niet willen herinneren. Dezelfde
Dichter (op dat ik nog één voorbeeld uit honderd kieze)
vergelijkt het bloed, dat uit de wonde langs het been van
Menelaüs nedervloeit, met het purper, waarmede eene Meo-
nische of Karische vrouw het ijvoren paarden-hoofdstel
verwt. — Bedrieg ik mij, of stond Homerus hier op de
uiterste grenslijn der kieschheid, en zou ik mogen zeg-
gen: hij gevoelde het zelf, en hÜ heeft daarom een dage-
lijksch beeld met een kostbaar kleed omhuld; het is elpen-
been: de kunstenares legt het weg in haar binnenkamer:
veel ruiters haken naar het bezit van dat sieraad; maar
het is bestemd voor den Koning? Waagt het nu, en zop
het stoutheid is, alles te durven ondernemen, vergelijkt de
slagen van twee strijdende helden bij twee mannen van
Leijden — beurtelings scheert hun gespierde arm het
opgehangen weefsel: zij hijgen in het zweet van hun ge-
laat, en de grond is bedekt met stukken van kaarden en
wolvlokken: velen wedijveren om het bezit van dien fijnen
deken, maar — hij is weggelegd voor de wieg van den
jongen Prins.
Vergeeft het mij, T. dat ik een weinig afgedwaald ben
en weggesleept door de Homerische poëzij. Het zou nog
meer tijd vorderen, zoo ik betoogde dat, indien onze eeuw
dichterlijk is, (waarover men twist) zij het op eene andere
wijze moet zijn, dan die van Homerus. Doch, hoe dit ook
zij, indien het waarschijnlijk geworden is dat de uitdruk-
king eener gedachte, door beeld of leenspreuk, zich schik-
ken moet naar den toestand der maatschappij, en dat de
Dichtkunst (op dat ik het aldus noeme) in de tegenwoor-