Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
dikwijls met nog meer zorg in kleinigheden. Bevallen en
treffen zij altjjd evenzeer? — Neen. — Waaromniet? —
Laat onze levenswijs, de verfijning onzer zeden, laat de
beschaving het antwoord geven! Wanneer Milton het schild
van Satan vergelijkt met de maan, dan ben ik getroffen;
doch, wanneer hij er bijvoegt: op wier ronde schijf de
sterrehundige van Fesolé of in Voldarno, met zijn kunst-
glas, nieuwe landen, rivieren en hergen poogt te ontdekken —
dan denk ik onwillekeurig aan uwen jongen met zijn te
pronk staanden makker, en — evenwel was Milton een
bejaard man! En hoe kan mjj het tegenwoordige beeld
van den leeuw, (O, hoe veel leeuwen hooren wij niet brul-
len in gedichten !) wanneer het ter voorstelling van kracht
en moed dienstbaar is, hoe kan het mij schrik aanjagen,
wanneer ik weet dat de dichter den leeuw nooit in het
woud heeft ontmoet, nooit hem zijne prooi heeft zien
versHnden? Ik blijf bij die voorbijgaande schilderij even
kalm, als bij de leeuwenhuid, die ik met groote kunst
opgevuld achter de glasramen van een kabinet zie grijnzen;
want — het is maar een vel! Maar blijft de natuur niet
steeds dezelfde ? Is de eik, is de ceder thans minder statig P
Bulderen de orkanen nu anders dan in de Griek sehe en
Oostersche oudheid ? Neen, maar de tooverkracht dier
schoone beelden is gebroken. Wanneer een dichter van
onzen tijd ze schildert, weet ik niet meer wat ze hem in-
geeft, zijne eigen ondervinding, zijne verbeeldingskracht, of
zijne geleerdheid en zijn geheugen. Want, hoe onuitputtelijk
de natuur ook zij in rijkdom, zij schijnt het in verheven
dichterlijke beelden niet te wezen. Waarom anders wordt
mij de standvastigheid altoos voorgesteld als de rots, waar
de loeijende golven op razen en breken? Waarom anders
is het geweld altijd een stroom, die in zijn val de boomen
ontwortelt, steenklompen medesleept, dijk en dam ver-
scheurt, en, over het veld zich uitbreidende, het werk vau