Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
Zoo iemand Uwer ooit een kind onderwezen heeft, is TJ
niet wel eens eene kleine teleurstelling wedervaren, wanneer
Gij een afgetrokken denkbeeld zinnelijk wilde voorstellen ?
Gij schiktet U naar zijne vatbaarheid, en verplaatstet U
in den kleinen kring zijner ondervinding, en daaruit koost
Gij een beeld. Ik stel dat Gij den jongen wilde leeren,
wat een staat en wat een honing is. Gij weest hem op
zijne school en op den onderwijzer, en herinnerde hem
daarvan eene of andere bijzonderheid, als middel van ver-
gelijking. In zijn tintelend oog laast Gij dat hij u verstond,
en Gij waart over hem, en over u zeiven, tevreden. Nu
begont Gij hem terstond van verschillende regeringsvormen
te spreken; maar — te vroeg, en vergeefs! De jongen
hoorde u niet. Gij hadt zijne school even aangeroerd, maar
hij was er geheel in met zijne gedachten, en zij was hem
levendig voor den geest, met al den toestel van werk en
spel, van belooning en straffe, en misschien heeft hij uwe
uitlegging eener grondwet afgebroken met een verhaal,
hoe één van zijne makkers dien morgen te pronk gestaan
had. — Gij werdt gemelijk, maar het kind was poëet! —
Die jongen een poëet? — Even als Homerus. Men houdt
het weelderige en overtollige der Homerische vergelijking
voor sieraden. Het zij zoo, maar men dichte ze aan den
Bard in dien zin niet toe. "Wanneer hij Paris beschrijven
wil, hoe deze in volle wapenrusting en met jeugdige fier-
heid door de stad snelt, kiest hij een edel beeld, den
brieschenden klepper: maar hij stelt zich dat dier al le-
vendiger voor, en hij verwijlt erbjj; het wordt een hengst,
die, bij de ruif gevoederd, zijn halster breekt, den stal ont-
vlugt, in zijnen loop den kop verheft, zijn manen laat
zwieren, en rennende den oever zoekt, waar hij gewoon is
in het water te plasschen, of het veld, waar zijne makkers
grazen. De poëzij van latere dagen fatsoeneert hare beelden
in den zelfden vorm, zjj tooit ze op in den zelfden smaak,