Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
op: zoo misschien het oordeel niet scherper wordt, de
geest wordt levendiger: al wat gedachten en tong belem-
merde, wordt weggeruimd: het gevoel spreekt sterker dan
ooit, en hart en karakter vertoonen zich zoo als zij zijn,
zelfs bij die weinigen, waarvan de gemeenzame spreek-
wijze zegt, dat zij een kwaden dronk hebben, die al wat
hen omringt aantijgen en beleedigen, en, door de ver-
bijstering van hun brein in de welgemaaktste lieden niet
anders meenen te zien dan apen en ezels. Daarom verwijt
Horatius aan zekere Dichters dat zij te veel water drin-
ken; maar die zelfde scherpzinnige man zegt dat het
beginsel en de bron van een goed geschrift is, wijs te zijn.
Ziet dien Prozaschrijver! Voor de gezondheid van zijnen
stijl is hem matigheid en onthouding opgelegd. Daar zit
hij — koel, ernstig, ingespannen, nuchter. Wat hij neder,
schrijven zal, is de vrucht eener bedaarde en rijpe over-
weging. Hoe menigvuldig hem de denkbeelden ook toe-
stroomen, zijn zij hem allen onbruikbaar, eer hij ze
geschift heeft en geschaard in die orde, waardoor hij
geheel zijn plan overziet. Ook hij ontleent warmte en
beweging uit zijn gevoel en uit zijne verbeelding; maar
hij heeft gevoel en verbeelding op zijne eigen wijs, en
zijn verstand houdt den teugel, dat de eene niet onbesuisd
voortholle, en het gevoel (ach, zoo menigmaal misbruikt)
niet opga in verterende vlammen!
Doch, mij dunkt. Gij voert mij den Dichter te gemoet,
in gezelschap van al zjjn beelden, met de geheele wereld,
waarin hij leeft en zich beweegt. Indien die toestel natuur
is, gelijk het eertijds was, waar is dan de moeijelijkheid
der kunst? Indien het kunst is, zullen wij den Dichter
daarom hooger stellen dan den Prozaïst, en dezen uit die
denkbeeldige wereld buitensluiten? — Vergunt mij dat
ik dit vraagstuk iets breedvoeriger behandele.