Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
106
want hij mag niet zoeken enkel te behagen en te vermaken,
wanneer hij toonen moet wat hij weet: en waarom toont
hij dit, zoo het niet is om het aan anderen te leeren ? en
waarom wil hij het aan anderen leeren, zoo het niet is om
nut te stichten? en hoe kan hij nut willen stichten met
hetgeen onvolkomen, onnut en misschien schadelijk is?
Daarom moet hij onderzoeken en overwegen en bepeinzen.
Maar hoe zal hij het overdachte voordragen ? — Ziet
wederom hoe veel de Dichter vooruit heeft! Hebt Gij
wel ooit van hem gevorderd dat hij U aankondigen zou,
uit hoe veel hoofdstukken en onderdeelen zyn gezang zou
bestaan, opdat Gij, met hem medezingende, een helder
begrip der zaak mogt hebben ? Indien hij niet een rijmende
keuvelaar, maar een echt Dichter, in zijn eigen oog en in
dat van velen, is, dan zult Gij geen wandeling met hem
doen, met overleg afgesproken, waarbij hjj U aan zijn
hand zachtkens zal opleiden; maar hij zal U rukken en
medeslepen over heg en steg; in de donkerste afgronden
zult Gij rondtasten, en, opstijgende met kwalm en pestdamp,
straks in de wolken duizelig worden: in ééns zult gjj met
hem stilstaan en weenen van weemoed, en dan weder vlie-
gen ; zoo dat Gij, te huis gekomen, niet regt weten zult
waar Gij geweest zijt. — Er is ongetwijfeld orde in deze
handeling, maar zij is van eene ongemeene soort. Hoe
vele Lierdichen, zelfs van de Ouden, zijn er niet^
waarin de natuurlijke opvolging der gedachten zoo diep
ligt, dat men ze nóg niet gevonden heeft? Wat was er
hooger, wat stouter dan de Dithyrambus, in later tijden
menigmaal nagevolgd? Maar het was een gezang bij de
vreugde van het Bacchusfeest, en men meent, uit som-
mige berigten en door gissing geholpen, te kunnen be-
sluiten dat de feestvierenden veel wijn dronken. Het is geen
onedel beeld, dat de Poëzij als eene dronkenschap voorstelt.
Want indien deze niet overmatig is, heldert zij de ziel