Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
niet op den voorgrond plaatsen, van waar het meestal
verdrongen wordt, maar ik zal het van zijnen achtergrond
een weinig opwaarts beuren.
De Dichter en de Prozaïst hebben dit met elkander
gemeen, dat zij beide een onderwerp hebben. Want, al
schrijven of zingen zij, bij voorbeeld, over niets, dan wordt
dat niets, door de behandeling, toch iets: maar de Dichter
heeft dit onschatbaar voordeel, dat men op zijne kennis
van het onderwerp niet naauw en scherp toeziet. Wat er
hem onbekend van is, dat schept hij, ja somtijds schept
hij het bijna geheel en al. In zijne verbeelding vindt hij
een voorraad van bijwerk en omkleedsels en sieraden.
Indien hij te diep in zijn onderwerp ervaren was, dan
zou er geene speling genoeg blijven voor zjjn gevoel;
zijne poëzij zou te stevig, zij zou te zwaarlijvig worden. —
Ik verbeeld mij eenen dichter, uit wiens diepste gevoel
de lust begint op te wellen om een onderwerp te bezingen,
waarvan hij niets weet. Het wil hem, gelijk natuurlijk is
niet regt helder worden: hij mist een plek vasten gronds,
een steunpunt, om zich met kracht op te heffen, en zijn
vlugt te nemen. Gelukkig valt het hem in, eenen vriend
en deskundigen op te zoeken. „Kom, zegt hij tot dezen,
vertel er mij wat van, in uw proza." — De andere ge-
hoorzaamt : hij doet een of twee grepen in de schatkamer
van zijn wetenschap, en spreidt ze voor hem uit; hij is
mededeelzaam en wil nog meer halen; maar reeds is de
Dichter verdwenen. AVat h|j medegenomen heeft, is toe-
reikend: hij keert en wentelt het, hij slijpt er poëtische
kanten aan, en hij plukt en pluist en rafelt het uit, en het
wordt grooter en zwelt, het begint te zweven en gaat het
zwerk in. Niets van dit alles mag de prozaïst doen. Hij
moet zjjn onderwerp kennen: hij moet het kennen tot in
de kleinste bijzonderheden, immers voor zoo veel het doel
van zijn opstel vereischt. Zijne onkunde zou zich verraden: