Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
104
rukking brengen, wier gemoed de taal dier Godenzonen
weet te bevatten. Daarom ziet men hoog op tegen hen,
die deze heerlijke gave bezitten: daarom wordt de
Dichtkunst, als het eigendom van weinige uitverkorenen^
gedurig geprezen, bijna altoos benijd, en niet zelden
ziet men zulken om haar bezit dingen, die zich veiliger
van dien wedloop zouden verwijderen. De uitdrukking eener
schoone gedachte, in de taal des dagelijkschen levens, wordt
er gering bij geacht; zelfs zult gij Vele van die nastrevende
bewonderaars den prozaïschen luchtkring zien vermijden,
even alsof zij bevreesd waren voor het lot van die wijzen,
die te Athene kwamen en, naar het zeggen van zekeren
Menedemus, door hunnen omgang met het fijne Atheensche
volk, van wijzen wijsgeeren werden, daarna redenaars)
daarna gewone menschen, en eindelijk gemeene menschen.
Maar is die prozaïsche taal, die ongebonden stijl, gelijk
men ze noemt, is zij waarlijk zoo alledaagsch? Vereischt
zij zoo weinig oefening en kunst? Heeft zij, met de dicht-
kunst vergeleken, zoo veel minder waarde, omdat haar
bezit geen voorregt, maar een gemeen goed is?
Ik zal, zoo het XJ welgevallig is, G. T., eene poging
doen om deze vragen te beantwoorden; niet uit minach-
ting van eene kunst, die gij met mij op hoogen prijs
stelt, en aan wier echte voortbrengsels wij veel genoegen
dank weten, maar om mij zeiven te troosten, en zoo
velen van U als de natuur tot Prozaïsten bestemd heeft-
Want, zoo het blijkt dat ons bescheiden deel een deug-
delijke en bruikbare en schoone bezitting is, dan zullen
wij minder streven naar een goed, dat voor ons niet is
weggelegd, en tevredener zijn met ons lot.
Hoewel ik geene vergelijking bedoel tusschen de Poëzij
en het Proza, zal het nu en dan noodig wezen dat ik de
eerste met een enkel woord vermelde, om de verdiensten
van het laatste beter te doen uitkomen. Ik zal het Proza