Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
stellen zou. Maar het verwondere u niet, dat de waarheid
dikwijls laat aan den dag komt, en vreemd uitvalt! Hoe
lang heeft het niet geduurd, eer die verhevenheid van De-
mosthenes, die men met geraas en gedonder zocht na te
doen, eer zij bleek niets anders te wezen, dan de taal
Mner eenvoudige, diepe overtuiging ? —
Dit laatste hadden wij stilstaande gesproken, en niet
bemerkt, dat Acilius ons tegemoetkwam. Nog niet geheel
genaderd, riep hij ons toe: „Hebt gij den Horatius al ge-
zien?" — Welken? vroegen wij beide. — Wel, antwoordde
Acilius, de lang gewachte Leidsche uitgaaf. Ik heb ze
sedert dezen ochtend. Terstond heb ik het boek opgeno-
men, en met moeite nedergelegd. — Zoo! zei Melissus:
men heeft voorspeld, dat er vreessehjk in gehakt zou worden.
Het moet een snoeijersbaas wezen, die Uitgever! — Dat
is hij ook, antwoordde Acilius: het is een baas; maar het
groene hout heeft hij laten zitten; de dorre takken, die
hij aangewezen heeft, kunt gij, voor mijti deel, afhakken
en op het vuur smijten, en er u bij warmen. Ik heb nog
maar drie Oden gelezen, die ik, bij voorkeur, opzocht,
omdat ik er nog nooit licht, maar wel een vreemd gehaspel
en gebrek aan plan in gezien had. Met een verstandige
kritiek snijdt de Uitgever hier en daar iets weg, dat reeds
op zich zelf beschouwd (ik moet het nu bekennen) lam of
aanstootelijk was, of tegen taal en zaken zondigde: en zie!
wat er overblijft, is Jloratius, die zelfde fijne Horatius, die
in zijne Ars Poëtica zulk goed onderrigt gaf, hoe het wezen
moest. Maar gij zult het boek nu wel op uwe tafels vinden
liggen: ik moet, voor mijn gezondheid, wandelen, en groet u.
Hij ging den'Haagschen weg op, en wij traden de stad
binnen. Melissus moet links, en ik regts. Vaarwel! zei hij:
ik zal dien Horatius bestellen.
„En lees dan uw eigen tweehonderd verzen nog eens
over!" riep ik hem achterna.
(1838)