Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
die verbeelding en dat gevoel in zijnen boezem besloten
hield, tot dat zijn verstand, zijne kunst hem een redelijken,
vorm voor den geest bragt: want in de kunst regeert één-
heid. Zonder deze, geloof ik, is zij geen kunst. Of is de
lierdichter geen kunstenaar? Schaf anders het woord
kunst af, en wacht u voor het woord poëzij: want het
beteekent maaksel. En wat zoudt gij van dien beeldhouwer
zeggen, die nadenkende over het ideaal der schoonheids-
formen, in geestvervoering geraakte^ en wiens verrukking
overging van den arm eener Venus op de heupen van
een Hercules, van die heupen op een Dorische kolom, en
van die kolom op een vaas: en nu een kiomp klei nam,
en een gewrocht ontwierp, waarin armen en heupen en
vasen en kolommen door elkander lagen: en zoo hij u dan
zeide; „Zie! daar hebt gij een vrucht van mijn verbeel-
ding en gevoel! die dingen schep ik zonder arbeid!" —
Ik zou, natuurlijk, denken, dat hij raaskalde, zei Melissus;
er staat reeds iets dergelijks in de Ars Poëtica van Ho-
ratus: die evenwel zeker het lierdicht niet bedoeld heeft:
want in zijne Oden is hij zelf in het geheel niet vrij van
hetgeen ik dacht een vereischte te zijn, en gij voor een
gebrek schijnt te houden, in de lyrische poëzij! — Wacht
maar, Melissus! antwoordde ik. In de kunst regeert één-
heid : het zoeken of herstellen of terugroepen dier eenheid,
dat is een gedeelte van den arbeid, waarover tvij spreken.
Het koel beraad der geleerdheid. Melissus! heeft eindelijk
moeten ontdekken, wat de dichters voorbijzagen, of niet
uitleggen konden, dat Pindarus menigmaal, in zijne Oden
zelve, op de regelen en wetten doelt, waar zijn poëzij aan
onderworpen was. Sedert dien tijd begint men scherper
toe te kijken, en zie! nu bemerkt men, dat er een leidende
gedachte door ieder van zijne gezangen wandelt, en (het
smert mij bijna, het te beweren) dat hij dikwijls heeft
moeten overleggen, hoe hij zulk een schoon geheel zamen-