Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
mij niet bevallen, Melissus! zeide ik. Ik heb wel eens
meenen op te merken, dat het èrwisc^mc? ^'et^'eZrf van Pinda-
rus, en de verhevenheid van Demosthenes twee sterk bereden
hobbelpaarden waren: en ik vrees dat men er niet dik-
wijls aan gedacht heeft, dat een bergstroom altijd stroomt,
omdat er altijd water is; maar dat het namaaksel op de
Wilhelmshöhe niet stroomt, dan zoo lang er water is: en
als dat op is, dan zijn het kale en drooge steenbonken,
en weg is de stroom! — Dat wil zeggen? vroeg Melis-
sus. — Wel, dat het water weg is. Hebt gij Pindarus
gelezen? — Wel zeker. — Hebt gij hem goed gelezen?
— Nu ja, zoo goed ik hem begrijpen kon. — Gij zijt
voorzigtig. Melissus! — Ik wil zeggen, hernam hij, dat
zijn vlugt dikwijls buiten het bereik van mijn oog gaat,
en dat ik mij dan verlies.... — Nu, waarin ? — In het
oneindige! — Neen, Melissus! ik vrees, m misverstand.
Indien ik een gissing mögt wagen, zou ik aldus spreken:
Het misverstand van Pindarus heeft eene meening ver-
spreid en gangbaar gemaakt, dat die Dichter, op zijn best
genomen, een onderwerp had, wanneer hjj zong; maar
dat hij zijn onderwerp spoedig uit het oog verloor, en van
de eene gedachte op de andere overspringende, die met
de eerste in een schijnbare aanraking was, al verder zich
verloor, zoodat hij in het eind van zijn gedicht op een
gansch ander standpunt was, dan in het begin. Dit, zei
men toen, was eene eigenschap van het Lierdicht, en het
werd een wet, dat de verbeelding alle breideling van het
verstand moest afschudden. Ik wil gaarne gelooven. Me-
lissus! dat iemand die verbeeldingskracht heeft, en een
gevoelig hart, wanneer zijne aandoeningen in beweging
geraken, voortdichten kan, en zich verbeelden, dat hij dat
alles zóó ontboezemen moet, en dat de dichterlijke lezer, of
toehoorder, zich dat alles zóó met hem verbeelden, dat alles
zóó met hem gevoelen zal. Maar ik zou wenschen, dat hij