Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
of slaat gij handen aan de riemen, en roeit gjj, zoo lang
gij lust hebt om voort te gaan ? en wanneer gij in een loopend
water zijt, stuurt gij dan ten minste het roer niet, om
niet in het riet te raken? Nu komt het er maar op aan,
dat wij de rollen goed verdeelen. De boot en de riemen
zijn de taal: uwe kindertjes zijn uw gevoel en verbeelding:
het water is de dichtstoffe: hoe ruimer, des te schooner
vaart; — maar wat zijt gij? — Het raakt mij niet, zei
Melissus: omnis comparatio claudicat, — Dat is vreemd,
Melissus! hernam ik; wilt gij niet weten, dat gij en uw
gezin één zijt? Ik weet het immers, dat het roeijen voor
u zulk een genot is, en dat de denkbeelden van roeijen
en vorderen in uwe ziel tot één denkbeeld van varen za-
mensmelten. — Melissus werd stil en aangedaan: want
hij houdt veel van zijn kindertjes en van roeijen. Nu
goed, zei hij eindelijk, breng die boot maar weêr aan wal.
Maar gij zult toch niet beweren, dat de taal alléén den
lyrischen dichter maakt? — Neen, Melissus! antwoordde
ik: neen! — Wel nu, hernam hij, laat dan, zoo als ik
reeds zeide, de bewerking der taal zijnen zang begeleiden;
maar die zang is vrij, als de adelaar in het zwerk. De
loop der aandoeningen laat zich door geen grammatisch
taalgeknutsel stremmen. In haren gang nemen zij telkens
iets op van de voorwerpen, die zij rakelings voorbijgaan.
Van daar die rijkdom der lyrische gedachte: van daar die
afwisseling van kracht en teederheid, van zoete harmonie
en bruischend Titanisch geweld. Het is de Pindarische
bergstroom, door Horatius zoo heerlijk geschilderd. Wilt
gij dien stroom doen terugkeerenP Neen, mijn vriend! ik
heb nu óók mijne vergelijking: hij glijdt of hij loeit,
naarmate de bedding is; maar hij keert niet terug. De
laatste uitkomst zijner wateren is in het ruime, in hot
onafzienbare, in den Oceaan. Zoek hem daar, zoo gij lust
hebt! — Dat uitgaan en niet weêr te huis komen, wil