Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
97
te kunnen maken? — Hoe dom? dat weet ik niet; maar
ik weet wel, dat geleerdheid een nekslag is voor poëzij. —
Daarover kunnen wij op een anderen tijd handelen,
Melissus! zeide ik; maar zeg mij, bid ik u; wanneer
gij een lierdicht schept, en uw gevoel laat vliegen, in welk
een voertuig plaatst gij het dan? —Wel! in eene gedach-
te, natuurlijk. — En hoe zult gij die gedachte verneem-
baar maken? — Ja, dat weet een kind! met woorden,
met de taal. — Hoe beter dus de taal is, Melissus ! des
te beter wordt de gedachte uitgedrukt, en hoe beter de
gedachte uitgedrukt is, des te duidelijker spreekt het ge-
voel: of is dit niet zoo? want ik vrees, dat het gevoel,
in géén taal gedacht, of uitgedrukt, een bijster verwarde
aandoening is. — Tot uw dienst, zei Melissus: daar heb-
ben wij Socrates al weêr! — Nu goed, Melissus! ik zal
voor u antwoorden: De echte dichter moet zijn taal vol-
komen magtig wezen, en hoe dieper gedacht en rijker de
form dier taal, des te rijker en dieper zal zijn gevoel
kunnen spreken. Maar dien rijkdom en die diepte der taal
moet hij kennen: en dat vereischt langdurige studie, Me-
lissus! en ernstigen arbeid. — Dat is het oude argument,
zei Melissus, dat het proza ten koste van de poëzij ver-
heft. Al stemde ik u toe, dat het arbeiden aan de taal de
lyrische vlugt van den dichter vergezelt, dan zou daaruit
nog niet volgen, dat zijne verbeelding en ygyoèZ belemmerd
worden, en arbeiden moeten. — Melissus ! zeide ik, het
valt mij zóó moeijelijk, die taal van dat gevoel af te
scheiden! Gjj houdt van varen, niet waar? — Ja wel;
maar minder van uwe vergelijkingen. — Neen maar, ging
ik voort; wanneer men zoo langs het water wandelt, dan
denkt men ligt aan schuitje-varen. Wanneer gij met uw
gezin een togtje op het water wilt doen, en met hen in-
gescheept zijt in een gemaklijke boot, zegt gij dan:
Zie zoo, kinderen! daar zitten wij, — zonder iets meer ?
7