Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
regt gemeen in zijn opschiit is, en linksch in al zijn be-
wegingen", wanneer hij des zondags rondwandelt, als de
geïdealiseerde schoonheid van het handwerk. — Laat mij
uitspreken, zei Melissus: ik bedoel de poëzij der vier ge-
noemde dichtsoorten; maar zjj is de eigenlijke poëzij nog
niet. Zij is slechts een poëtische voorstelling van zaken,
van daden, van wetenschap. Maar de poëzij kan zich af-
sluiten in haar zelve, en van de voorwerpen tot eeuwige
denkbeelden opklimmen, zoodat de verbeeldingskracht in
het gevoel opgelost wordt. Dan ontdoet zij zich van kunst
en wetenschap, en haar vaart is onbeperkt. Van één voor-
werp, van ééne gedachte zich opheffende, doorzweeft zij
het onmetelijke ruim der aandoeningen, en verliest zich in
het oneindige. Dat is de lyrische poëzij: de poëzij bij
uitnemendheid. —
Maar komt zjj dan niet weerom? vroeg ik. — Wat
bedoelt gij met die vraag? zei Melissus — Wel, uwe de-
finitie brengt mij een vuurpijl voor den geest. Wanneer
die lichtstraal zoo schitterend oprijst, en zich in de don-
kere ruimte verliest, dan juichen wij, die beneden staan;
maar wanneer zij, nog sissend en snorrend, nederkomt en
op den grond valt, dan zeggen wij, dat zij niet deugt. Is
dat uwe lyrische poëzij? En wanneer zij daar boven zich
verloren heeft, maar de stok nedervalt, is die stok dan
zooveel als de dichter, die zijn poëzij daar boven ge-
laten heeft, en in het duistere nederploft? —
Kom! zei Melissus, laat ons dezen singel maar gaauw
afwandelen! Er is met u geen spreken over poëzij. Buiten
het gevoel over gevoel te willen spreken, is even onge-
rijmd en dwaas, als buiten het geloof over het geloof te
oordeelen. Gij deedt beter, ronduit te bekennen, dat gij
de poëzij minacht, of, nog liever, dat gij ze voor niets
houdt. — JSTeen, Melissus! geen van beidel Maar zeg mij,
hoe dom mag men wezen, om toch een lyrisch gedicht
J