Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
hekeldicht op u maken! — Dat is niet vriendelijk, Melissus!
antwoordde ik; maar wanneer gij in een goede luim zijt,vallen
die dingen dan nooit stomp uit? — Een enkelen keer, be-
kende Melissus; maar men is er bij: en wanneer het w geldt,
dan zal ik er aan versnijden en slijpen, tot dat het steekt. —
Mijn lieve Melissus! riep ik uit, dan is de Satyrische
jjoëzij een poëtische studie, een poëtische arbeid! —
Hoor eens, zei Melissus, ik had u verzocht, dat wij over
dat onderwerp op deze wandeling niet verder spreken
mogten; en toch komt gij er telkens op terug.— Ik weet
niet, wie van ons beide schuld heeft, antwoordde ik; mag
ik niet een onnoozele gevolgtrekking maken? —Ja maar,
zeide hij, uwe gevolgtrekkingen zijn een weinig haastig:
die dingen laten zich op een wandeling niet afdoen, en
eigenlijk vooral niet met iemand, die geen dichter is, en
dus geen onderscheid weet te maken tusschen een rede-
nerende of geleerde, en een dichterlijke beschouwing van
een voorwerp. — Gij beperkt het getal uwer lezers. Me-
lissus! zeide ik: want hoewel wij geen gebrek aan dichters
hebben, onze bevolking telt er, geloof ik, nog meer, die
geen verzen maken. Gij maakt van uw vak een waar
gild. — Wat maalt gjj van vakken? riep Melissus: iedere
wetenschap behoort tot een vak; maar de poëzij is een
gaaf: en wanneer ik u met de didactische, de epische, de
dramatische en de satyrische dichtsoorten heb laten om-
springen, het was omdat zij eigenlijk vakken van weten-
schap zijn, die door de poëzij verfraaid worden. De dicht-
kunst is niet bestemd, om de wetenschap te doen vorderen,
met studie en arbeid, maar om haar, in een bevalligen tooi,
niet meer tot het verstand alleen, maar tot het gemoed
te doen spreken. Zoo gij wilt, zulk eene poëzij is de geï-
dealiseerde schoonheid van den arbeid. — Die definitie
treft mij. Melissus! zeide ik; maar gij behoudt dan ook
geen regt, om op den gemeenen man te schelden, die „zoo