Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
dat men zelf een soort van Proteus zou moeten zjjn, en
allerlei karakters in zich vereenigen, om die van al de
anderen te kunnen beoordeelen. — Ik weet het niet, Me-
lissus! antwoordde ik: de beantwoorder van eene of andere
prijsvraag zal die zwarigheid misschien oplossen. Maar ik
vraag u, of gij kans zoudt zien, om een karakter te ver-
zinnen en in allerlei omstandigheden te plaatsen, waarin
gedacht en gesproken en gehandeld moet worden, en dan
uw verzonnen karakter zoo te laten denken, spreken en
handelen, dat het een volkomen en natuurlijk geheel maakte:
zoodat iemand, die werkelijk een zoodanig karakter had,
en uw verzinsel las, of aanhoorde, zeggen zou: „waarlijk,
zóó zou ik ook gesproken en gehandeld hebben?" — Ik
heb het nooit beproefd, antwoordde Melissus; maar ik ge-
loof, dat ik verbazend zou moeten peinzen, en dat ik mjj
zeiven telkens zou moeten afvragen: „stemt gedachte met
die vorige handeling overeen? is rfie daad niet in strijd met
dat vorige overleg ?" Ik word nü reeds bang van den arbeid,
dien zulk een verdichtsel kosten zou! — Ja, dat komt er
van, zeide ik, als men zoo verwend is door de poëzij, die ge-
makkelijk daarheen rolt. Maar, mijn lieve Melissus! zulke
verdichtsels worden er menigmaal in poëzij gemaakt! —
Ik bemerk nu eerst, dat de bank vochtig is door de
laatste regenbui, zei Melissus. — Ik ging voort: gij moet
mij hier, op deze bank, een Jlragedie of Comedie van de
goede soort ontboezemen, of bekennen, dat de dramatische
poëzij een poëtische studie, een poëtische arbeid is. —
Neen, ik word te nat, zei Melissus; laat ons eindelijk
opstaan; ook geloof ik dat in de verte iemand aankomt. —
Welnu, zeide ik, terwijl wij voet voor voet heenwandelden
en somtijds stil stonden: wat krijg ik van u, een Treurspel
of een Blijspel? —
Gij zijt een lastig mensch, zei Melissus, half schertsend:
wanneer ik eens in een goede luim ben, dan zal ik een scherp