Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
proviseerde hij misschien een of twee verzen te gelijk, en
deed hij dan weder wat anders, en zoo voorts? — Dat
is eene onnoozele vraag, zei Melissus; hij dacht aan zijn
gedicht. — Dacht hij, Melissus! Dan moet of Pellico niets
van die lange gedichten onthouden hebben, of rfe
en schilderende poëzij is een poëtische studie, een poëtische
arbeid. Kies maar uit! —
In ééns hoorden wjj schuins achter ons, aan den wa-
terkant, een geritsel, zoodat Melissus opvloog, als of hij
een slang had hooren schuifelen.
Daar zijn menschen! riep hij. — Maar, Melissus! vroeg
ik hem, jaagt een visseher u zulk een schrik aan? Bij
ons zijn dat vreedzame menschen: ga maar weer zitten.
Is de vangst goed? vroeg ik den man, terwijl hij ons
voorbijging. — ZVam, waere heer. — Is er nog al visch
in den singel? — Jae! — Hoe komt het dan dat gij niets
vangt? — 'T is te vuyl an de kant. —
Gij hebt hier een vreemd dialekt, zei Melissus, toen de
visseher ons voorbij was. — En hebt gij wel opgemerkt,
vroeg ik hem, hoe kort en zakelijk zjjn antwoorden wa-
ren, en dat er karakter in was? — AVat meent gij met
karakter? vroeg Melissus. — Wel, dat er harmonie is
tusschen den man en zijn antwoorden: indien iemand ze
verdicht had, men zou zeggen: „hij kent de Leidsche
visschers, hjj heeft ze bestudeerd." — En meent gij dan,
vroeg Melissus, dat gij uit het korte en krachtige gezegde
van iemand opmaken kunt, wat zijn karakter is? — Mij
dunkt, ja, antwoordde ik. — Welnu, hervatte Melissus,
ik zal er u een opzeggen; maar komt er ook iemand aan?
— Ik keek rond, en, „ga maar voort," zeide ik.
Melissus riep, dat het klonk: Soldats! souvenez vous, que
du haut de ces Pyramides quarante siècles vous regardent.
Die woorden, zeide ik, schijnen wel in Egypte gespro-
ken te zijn, vóór het leveren van een gevecht. — Juist