Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
Maar de schrijver heeft een groote verantwoordelijkheid,
omdat de aangename inkleeding en levendigheid van zijn
verhaal zoo aanlokken en treffen, zoodat het tafereel van
de zeden en gebruiken van den tijd, dien hij voorstelt,
misschien nog dieper zich prent in het geheugen der lezers,
dan de lotgevallen der personen. Dit is een stil getuigenis
van den lezer, dat het historische nog hooger waarde heeft
dan het verdichte. Daarom verwijt men ergens aan W.
Scott, dat hij rijker was in kennis van oude legenden, dan
van den toestand van het oude Engeland. —
Dat is opmerkelijk. Melissus! antwoordde ik: en gij
maakt dat mijne bewondering van dat talent nog hooger
stijgt. Is er nog zóó veel af te dingen op dat van eenen
man, die gezegd wordt zoo veel jaren gestudeerd Ie hebben,
eer hij die reeks van verdichte verhalen begon te bewerken,
waarvan Europa thans weêrgalmt? Maar, mijn lieve Melissus!
het eerste gedeelte van die reeks was poëzij: en sommigen
zeggen, dat in zijn latere prozastukken ook veel poëzij
is. — Wat maalt gij ? riep Melissus, en wat gaat het mij
aan, hoe sommigen hun oordeel uitspreken? De studie en
de arbeid behooren tot de voorbereiding: daardoor verheft
zich de dichter op het standpunt, van waar zjjn verbeelding
hare vlugt nemen kan. — Maar, Melissus! vroeg ik,
wanneer de dichter al is het maar een klein deel van de
vrucht dier voorbereiding verloren heeft, (en hoe dikwijls
kan hem zulk een klein deeltje niet ontslippen ?) moet dan
zijne verbeelding ook dit gebrek aanvullen, of moet hij,
voor een oogenblik, uit zijn vlugt naar dat hooge stand-
punt afdalen, en van dat hooge standpunt verder naar
beneden, om den foliant zijner aanteekeningen even na te
slaan, en daarna weder te kunnen opklimmen, en zijn vlugt
nemen? en dan vervolgens zoo telkens op en neêr, van
de studie naar de vlugt, en van de vlugt naar de studie? —
Ja wel, ik zie het al, zei Melissus: gij speelt weêr voor