Boekgegevens
Titel: Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Auteur: Bosch, D.W.
Uitgave: Amsterdam: Schalemkamp, Van de Grampel en Bakker, 1866 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2204
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202607
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Vorige scan Volgende scanScanned page
A.
A {eerste leltcr) v; 's.
Aafsch, bnw.
Aagt (—appel) v; cn.
Aai, m; en. Ookivi.
Aaien, b. w. Aaiiag.
Aak, v; aken.
Aaks (aks) v; en.
(lig, btiw. Aanhoorig, baw. —
Aanbiildfilijk, bnw, (huisgenooten).
Aanblik, m. Aanhoiidelijk, bijw.
Aanbod, o. Mo. aanbie- Aanhoudend, bnw.
dingen. Aanlmwelijking, v., ooi:
Aanbouw, m. voor aanliuwing in ge
Aanbraak, v. bruik.
Aal (bierenvisch) m;alen. Aanbreken, b. c/io. w. en Aankanten, w. w.
Aanklacht, v; en.
Aankleef, o. in: met den
aankleve van dien.
Aankomst, v.
Aankondigen, b. w.
—geer [thans elger) «i; o. znw.
en. —svel, —shuid. Aanbrengst, v; en.
—glad, bnw. Aandacht, v. —ig, bnw.
Aalbes (aalbezie) v; sen Aandeel, o; en.
(ien). In sam. mv. ^e-^Vandenken, o.
halve —seblad, —se- Aandichten (Ie laste leg^ Aankoop, m. —ing, v.
boom,—sestruik. gen) b. w. Aankweek, m.
Aalmoes, v; zen. Aandoening, v; en. Aanleg,Tn.
Aalmoezenier, in; s eacn. Aandoenlijk, bnw. Aanleidend, bnw.
[n sam. s. Aandrang, m. Aanleiding, v; en.
Aam, o; amen. Aandrift, v. Aanleunen (aanleaen) o.w.
Aambei (aanbei) v; en. Aaneen, bijw. Scheidb. in Fig. ook tvederk.: zich
Aamborstig, bnw. de vervoeg, der sameng. laten — {zich toedigc'
Aan, vz. c/i bijw. Scheidb. xm.—binden,—bren- nen).
gen, —flansen, enz. ■ Aanlokkelijk, bnw.
Voorts de znw.—las-Aanloop, m. OoÄ (ï/.< be-
sehing , —schakeling, zoek.
in de verv. der sameng.
WW. —ademen , —be-
hooren , —belanden,
—bruisen,—doen,-d rui-
en«. Aanmaak, m.
sen,—hebben,—vech-Aangaan, b. e» o. w. Wat Aanmaning , v: on. In
ten, enz. Zie lager de mij, hen, aangaat, sam.s.
onscheidbare. Aangaande, vz. Aanmarsch, m.
Yormt doorachter Aangang, m. Aanmatigen, w. w.
den wortel der ww. te Aangeboren, bnw. Aanmerkelijk, bnw.
plaatsen, de o. znw.: Aangedaan((?e;ro/7'eK)bnw. Aanmerken, b. w.
—baksel, —brandsel, Aangelegen, bnw. Aanminlijk (aanminnelijk)
—hangsel, —vulsel, Aangenaam, bnw. aanminnig, bnw.
—wensel, enz. Aangezien, dw. en vw. Aanmoedigen, b. w.
Zie lager. Aangezicht,©;en. /«saw.s. Aannadering, v.
Aanbeeld, o; en. Aangifte, v; n. Aannemelijk, bnw.
Aanbelang(<?roo^/'c/aw/;)o. Aangreep, m- Aanplant, ui.
Aanbelangen, b. w. Wat Aangroei, m. —ing, v. Aanpoten [van gewassen)
mij, Uy hen, enz. aan-Aanhalig (aanlokkend) b. w.
bolangt. bnw. Aanranden, b. w.
Aanbetreflen, b. w. Wat Aanhalingsteeken, o; s. Aanrechten (aanrichten,
mij, n, hen aanbetreft.. Aanhang, m. ~sel, o; s. overdracht.) h. w. §
Aanbeveelbaar, bnw. Aanhankelijk, bnw. Aanrit, m.
Aanbevelen, b.w.—swaar-Aanhef, m. Aanrilsen (aanporren) h.
dig, bnw. Aanhooren, b. en o. w. w. g
Aanbidden, b. w. Scheidb. Als znw. o; ook in Icn Aanschaffen, b. w.
en onscheidb. —swaar- — van. Aanschijn, o.
I