Boekgegevens
Titel: Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Auteur: Bosch, D.W.
Uitgave: Amsterdam: Schalemkamp, Van de Grampel en Bakker, 1866 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2204
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202607
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Vorige scan Volgende scanScanned page
Kaar (vischkaar) v; aren.
Kaarde, -j- v; n. In sam.
mv. behalve —tand en
kaard woJ.
Kaarden,b. \v. §
Kaardsel, o.
Kaars, v;en.—enbak, —e-
dief, —enmaker(fn sam.
s), —enmakerij, —en-
kist, —epit, —enlade.
In and. sam. enk.
Kaart, v; en.—legster. In
and. sam. mv.
Kaarten, onv. bnw. (met
de kaart spelen) o. w.
Kaas, v; azen. —^jeskruid.
In and sam. enk.
Kaats, v; en. —en, b. w.'g
Kabaal, m; en.
Kabas, v; sen.
Kabassen (stelen) b. w.
Kabbelen, o. w. §
Kabel, m;s.—lengte. In
and. sam. kabel.
Kabeljauw, m; en. —scli,
—sgezind, bnw.
Kabinet, f o; ten.—stuk,
—werk. —sorder, enz.
Kabouter, m; s. —man-
netje, O.
Kabuis, v; zen. —kool.
Kachel, v; s.
Kade (ka) v; n. Zie kaai.
Kadet (broodje) v; ten.
—je. Zie bij C.
Kadraaien, o. w.
Kaf, 0. —blaadje, o.
Kaffa (trijp) o.
Kajuit, v; en.
Kakau, zie cacao.
Kakebeen, zie kaak.
Kakelaar, m; s. —ster, v.
Kakelarij, v.
Kakelboni, bnw.
Kakelen, o. w.
Kaken, b. w. §
Kakhiel (iftw/cr/iieQm; en.
Kakkerlak, m; ken.
Kakketoe, v; 's.
Kalamijnsteen, m; cn.
Kalamink, kalmink, o. Kamer, -f- v; s en cn.
—en, onv. bnw. —ling, m.
Kalander(oofeklanderinde Kameraad, m. en v; aden.
spreektaal) v; s. —ij. Kamerdoek,©.—sch,bnw.
v. —en, b. w. Kamfer, v.
Kalebas, kalbas, v; sen. Kamig (met kaam) bnw.
Kalen'der, m; s. Kamille, v.
Kales', v; sen. Kamizool, o; olen.
Kalf, f o; alvers, alveren Kammeling (korte, uitge-
en alven. —koe, v. In kamde wol) v.
de volg. sam. kal ver: Kammen, b. w.
—achtig, bnw.—knieën Kamoesleêr,kamuisleér,o.
(naar binnen gebogen —en, onv. bnw.
knieën), —liefde. In Kamp (stuk lands) m; en.
andsam.s. (legerplaats)au. Ook
Kalfalen, kalfateren, b. w. bnw. voor even, gelijk.
era bijw. in.-kamp geven
(gewonnen geven). —e-
ment, o; en. —op, bijw.
In sam. kalfaat.
Kali'ber,o.
Ka'iif. Zie bij C.
Kalis (die niet vee/éeziAj Kampanje, v; s.
m; sen. Kampen, o. w. §
Kalk, m. —en, b. w. Kampeeren (legeren) o. w.
Kalkoen, f m; en. —sch, Kampei-foelie, v; s.
bnw. In sam., it'öarm Kampernoelie (padden-
een mv. bedoeld wordt, stoel)
kalkoenen.
Kallen, b. w.
Kalm, bnw. —te, v.
Kalmink, zie kalamink.
Kalmus, m.
Kalot, v; ten.
Kalven, o. w.
Kampersteur, m.
Kampioen (kampvechter]
ra; cn.
Kampvechten, o. w. On-
scheidb.
Kamuisleér, zie kamoes-
leêr.
Kalveren (braken) o. w. Kan, zte Khan.
Gem. Kan, v; nen. —netje. In.
Kalvijn (appel) m; en. sam. kanne.
Kam, ■f m; men. —metje. Kanaal, o; alen.
—mendoos,—menma-Kanaan, o. —iel, m; en.
ker. In and. sam. knm. —ietisch, bnw.
Kameel (kemel) m; en (s). Kanalje (slecht vrouw-
—drijver, m; s. —par- mensch; gem.) v; s.
del (—paard) m; s. Kanarie, v; s.
—schaap. In and. sam. Kanaster, zie knaster.
s; als: —sharen, onv. Kandeel, v.
bnw. enz. Kandelaar, m; s en aren.
Kame'Ieon, o; s. In sam. s.
Kamelot, o. —ten, onv. Kamlij, v.
bnw. Kaneel, o.
Kamen, o. w. Kanefas, o.
Kamenier, v; enens.—en, Kangoeroe (dier) m; 's.
b. w. Kanker» m. —cn, o. w.