Boekgegevens
Titel: Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Auteur: Bosch, D.W.
Uitgave: Amsterdam: Schalemkamp, Van de Grampel en Bakker, 1866 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2204
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202607
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Vorige scan Volgende scanScanned page
Haver, v.—brij.m.—klap, aden. —raadschap, o; Heidin, v; nen.
m. —slroo, o. —stede, v. Heien, b. w. §
Haverij, z. averij. Heemskinderen, o. mv. Heii,o.—begeerig,'—loos,
Havik, m; en. In sam. s. Heen, bijw. Scheidb. in —rijk, —vol,—zaam,
Hazard, o.—spel. sam. met ww.: —gaan, bnw.
Hazelaar, ra; s eraaren. In —komen , —vliegen. Heiland, ra; en.
Sflw. s. enz. —komen is a/5 Heilbot, v; ten.
Hazelhoen, 0; en. znw. o. Heilig, bnw. —c, m. en v;
Hazelnoot, v; olen. Voorts de znw.—reis, n. —^je, 0.
Hazelnotcboom, m; en. —tocht,—vaart. 7oor/5 —avond, m.
Hazelworlel, m; s. Heep (hakmes) v; epen, —dom, 0. —maker, ra.
Hazewind, m; en. Heer, zie heir. Heiligen, b. w,
He, tw. Heer (/i7e/) ra; en. In den Ueim, zie hsem.—wee, 0.
Hebachtig, bnw. 2 nv. en. —lijk, bnw. Heiraeiijk, bnw.
Hebbelijk (geschikt) bnw. -schap,0; pen.—schap- Hein>pje (Itrekel) 0; s.
Hebbeloos (ongeschikt) pij» v. In sam. m^. be- Heinde (nabij) bijw.
bnw. . halve—oom, Heinen,b. w. §
Hebben, b. w. (had, ge-Heere(ü00r: Gorf). Kerourf. Heining, v; en.
had). Heerschachtig, bnw. Heir (legermacht) 0; cn.
Hebber, m. Alleeninsam.; Heerschen, 0. w. § —baan, enz.
als: last—, gezag—, Heerschznchtig, bnw. Heisa, tw.
enz. Heesch , bnw. (—er, Hek, f 0; ken.
Hebbing,V. Alleeninsam.; zeer—).—achtig, bnw. Hekel, m; s. —ig, —ach-
als: macht—, heer- Heester, ra; s. tig, bnw. —en, b. w.
schappij—, efïz. Heet, bnw. —hoofd, m. Heks, v; en. —erij, v. In
Heblust, m. —hoofdig, bnw. sam. mv. —en, 0. w.
Hebreér, ra; s 0/ eën. Heel (heet maken) b. w. Hel, bnw.
Hebreenwsch, bnw. 4/s Heeten (noemen) b. c« 0. Hel, -f —letje.—sch,
znw. 0. w. (eette, eten). —donker, —duister.
Hebzucht, v. —ig, bnw. Hef, heiïe, v. bnw. —lewaarts, bijw.
Hecht, bnw.—sel, o. Heffen, b w. (ief, even). § Voorts —hond, m.
Hecht, 0; en. —en, b. en Heft, zie hecht. —leveeg, v; egen. —le-
0. w. Heftig, zie hevig. wacht, v. —lewicht, 0.
Hechtenis, v; sen. Heg, hegge, v; gen, n. Helaas, tw.
Hecta're (bunder). Ileggetje. Held,ra;en.—in, v.—da-
Ilec'to (honderdmaal). He'gira, hed'schra (vlucht dig, —haftig, bnw. In
—gram'me, —li'ter, van Mohamed) \. sam.mv.
enz. Hei, tw. —bij, v; en. Helder (den)(zceAaren)m.
Heden, bijw. —daags, Hei (werktuig) v. /n Äe/Helder, bnw.—tjes,bijw.
bijw. —ilaagsch, bnw, mv.gebruiktmen—denkend, —ziend.
Heel (geheel) bnw. Hei, zie heide. bnw.
—shoofds, —shuids. Heide (hei) v. Hei in: H-^lderen, b. en 0. w.
bijw. —al, o. —heid. —bezem, —boender, Helen (verbergen) b. w.
Heel (norsch) bnw. (he- —brand, —darap, Helft, v; en.
Ier, —st). —heid. —rook, —krekel. He'likon (berg) m.
Heelbaar, bnw. Heiden, onv. bnw. Hellebaard, ra; en.—ier,
Heelen (genezen) h. eno. Weidman, ni; en (en inde m; s.
w. § beteek. van zwervers Hellen, 0. w.
Heem (heim) 0; enen s).—sch, bnw.—dom. Helling, v; en.
—sleden. —raad, m; 0. Helm, f m; en.