Boekgegevens
Titel: Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Auteur: Bosch, D.W.
Uitgave: Amsterdam: Schalemkamp, Van de Grampel en Bakker, 1866 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2204
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202607
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopt schoolwoordenboekje voor de Nederlandsche taal: volgens de spelling, aangenomen voor het "Woordenboek der Nederlandsche taal; "
Vorige scan Volgende scanScanned page
—plichtig, —schuldig, scheigoud, scheiteeken. Schep, m; pen.
huw. —penning. scheivdcht, —smuur, Schepel, o; s. —vol, o.
Schaveling, m; en. —slijn.Koor/$—srech- Schepeling, ra. en v; en.
Schaven, h. w. § ter, —sman, —svrouw Schepen, h. w.
Schavot, o; ten. —teeren, en —slieden. Schepen (rechler) ra; s en
b.w. Scheikundig, buw. —e, en.—dom, o.—schap.
Schavuit, ra; en. Insam. ra. o. —brief, —kennis
mv. Scheikunst (scheikunde) [kusling). Inand. sam.
Schedel, m; s. v. —enaar, m. s.
Scheede (schee) v; n. Schel {bel; ook schil) v; Scheppen {voortbrengen)
Scheedje. len. —letje. b. w. (iep, apen).
Scheef, bnw. (scheever. Schel, bnw. (—Ier, —st). Scheppen {putten) b. w. §
—st). —heid, —te, v. —klinkend,—luidend, Gelijkvl., ook in genoe-
—hoekig, huw.Ookmet bnw. gen scheppen, ens.
znw.: —hoek, —nek. Schelden, b. eno.v/. (old, Schepping,v;en. Insam.s.
enz. en de daarvan ge- olden). § Schepsel, o; s en en.
vormde bnw. —hoekig. Schelen {verschillen , Schepter, m; s. öoAsepter.
enz. schorten) o w. Scheren, b. en o. w. (oor,
Scheel {deksel) o; en. Schelet'(peraofn/(?)o;ten. oren).§
—hoofdpijn. Ook skelet. Schering, v; en.
Scheel, bnw. (—eler,—st). Schelf, v; ven. Scherf, v; ven. Mv. in:
—aard (scheluwaard). Schelkruid(schelwortel)v. —gerecht.
—heid, —te, v. —ach- Schellak, o. Scherlei {plant) v.
tig, bnw. —oog (ee?i Schellen, o. e/i b. w. Scherluin, zie scharluin.
schele) ra. c/i v. Schelling, ra; en. Schel-Scherm (Aesc/iw/se/) o;en.
Scheelen(scAeirfen)b.w.§ linkje. Schermen, o. w. § Als
Scheen, v; eu. Schelra, m; en. —achtig, znw. o.
•Scheep, o. Buiten sam. —sch, bnw. —erij, v. Schermer (po/rfer) v.
alleen gebr. in: — gaan, —stuk, —streek. Scberminkel, m.en o; s.
— komen; en als tw. Schelp (schulp) v; en. Schermutselen, o. w.
Voorts in Sffm..'—vaart, Scheltrompet, v; ten. Scherp, bnw. Ook znw. o.
—reeder, —woord; oue- Schelvisch, m; sschen. —zin,m. —te, v.—boe-
rigenss;als:—behoef-Schemer, m. —ig, bnw. kig, —kort, —lang,
len,—lading, ens. —en, o.w. —snijdend, —ziende,.
Scheerder, m; s. Koora/Schendbrok, m. en v;ken. —zichtig, —zinnig,
in sam.; als: baard—, Schcndekeuken, m. en v; bnw.
droog—, enz. s. Voorts: —^rechter.
Scheergang, ra; en. Schenden, b. w. (ond, —schutter, enz.
Scheergaren(seAeerdraarf) onden) § Scherpen, b. w.
o. Schenderij, v;cn. Scherts,v.—erij,v.—wij-
Scheerhaak {scheeps- Schendig, bnw. ze, bijw. —en, o. w.
woord) m; aken. Schendtong, m; en. —ig, Scherven, o. en b. w.
Scheerling , scheerlink bnw. Schets, v; en. —en, b. w.
{dollekervel) ra. Schenkage, v; s. Schetteren, o. w.
Scheerscl, o. Schenkel (schinkel) m; s. Scheur, v; en. —maker.
.Scheg (schegge) v; gen (u). Schenken, b. w. (onk, on- —sel, o. —ziek {oproc-
Scheidbaar, bnw. ken) § rig) bnw. —en, b. en
Scheiden, b. en o. w.(eid- Schennen, zie schenden. o. w.
de, eiden). § behalve in Schennis, v. Scheurbuik, v.
scheikunst, scheinagel, Schenziek, bnw. Scheut,m;nn.ÖoAschoo(,
J