Boekgegevens
Titel: Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Auteur: Backer, H.G. de
Uitgave: Tiel: wed. D.R. van Wermeskerken, 1854 *
2e, verm. en verb. uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2012
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202584
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
den, die personen of zaken als kleiner dan andere voor-
siellen; zij worden gevormd door achtervoeging van je,
ijs, pje, enz., als: hondje, spiegeltje, boompje, enz.
DERDE LES.
V. Wo^ron moet men, bij de zelfstandige naam-
woorden , lellen?
A. Bij de zelfslanat^o naamwoorden moet men op
drie zaken letten; op getal, geslacht en naamval.
V. Wat verstaat men door getal?
A. Door getal verstaat men de voorstelling van eene
eenheid of veelheid in de zelfstandige naamwoorden,
als: kaart, kaarten; huis, huizen, enz.
V. Hoe vele getallen zijn er?
A. Er zijn twee getallen: het enkelvoudige en meer-
voudige getal.
V. Wanneer staal een zelfstandig naamicoord in het
enkelvoudige getal *
A. Een zelfstandig naamwoord staat in het enkelvou-
dige getal, als het slechts ééii.cnkel voorwerp aanduidt,
zoo als: doos, spiegel, wereldkaart, enz.
V. Wanneer staat een zelfstandig naamivoord in het
meervoudige getal ?
Een zelfstandig naamêoord slaat in het meervou-
dige getal, wanneer het meer dan een voorwerp aan-
duidt, messen, tafels, boeken, enz.
VIERDE LES.
V. Zijn er geene zelfstandige naamwoorden, die al-
léén in het enkelvoud gebruikt worden?
A. De zelfstandige naamwoorden, die alléén in het
enkelvoud gebruikt worden, zijn dezulke, die eene stuf