Boekgegevens
Titel: Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Auteur: Backer, H.G. de
Uitgave: Tiel: wed. D.R. van Wermeskerken, 1854 *
2e, verm. en verb. uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2012
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202584
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
TWINTIGSTE LES.
V. Wal wil het zeggen: een werkwoord vervoegen?
A. Een werkwoord vervoegen wil zeggen : een werk-
woord in alle wijzen ^ tijden en 'personen te veranderen.
V. Kunt gij dan ook de hulpwerkwoorden: hebben,
zijn en worden vervoegen ?
A. De hulpwerkwoorden: hebben^ zijn e^n worden
ervoegl men aldus:
ONBEPAALDE WIJS.
Tegenw. tijd. hebben. zijn. worden.
Verled. tijd, gehad hebben. ,geweest zijn. geworden zijn.
Toekom, tijd. te zullen hebben. Ie zullen zijn. te zuïlen worden.
DEELWOORDEN.
Tegenw, tijd, hebbende. zijnde. wordende.
Verled. tijd, gehad hebbende, geweest zijnde, geworden zijnde.
Toekom, tijd. zullende hebben, zullende zijn zullende worden.
AANTOONENDE WIJS.
Ik lieb.
Gij hebt.
Hij heeft.
Wij liebben.
Gij liebt.
Zij ljebl)en.
Ik
Tegenwoordige tijd*
Enkelvoudig,
Ik ben.
Gij zijt.
Hij is.
Meervoudig.
Wij zijn.
Gij zijt.
Zij zijn.
Ik word.
Gij wordt.
Hij wordt.
Wij worden
Gij wordt-
Zy worden.
liad.
Gij hadt.
Hij liad.
Wij hadden!
Gij hadt.
Zij hadden.
Onvolmaakt verledene tijd.
Ik was.
Gij waart.
Hij was.
Wij waren.
Gij waart.
Zij waren.
Ik werd.
Gij werdt.
Hij werd.
Wij werden,
Gij werdt.
Zij werden.
I
j