Boekgegevens
Titel: Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Auteur: Backer, H.G. de
Uitgave: Tiel: wed. D.R. van Wermeskerken, 1854 *
2e, verm. en verb. uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2012
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202584
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte schets van de gronden der Nederlandsche taal: in vragen en antwoorden, ten dienste der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
2(5
dc werking, op dien tijd goWl geëindigd is, als: ge-
schaafd hebben, ik heb geschaafa, Hat ik hebbe ge-
schaafd, enz.
V. Wat beteekent de meer dan volmaakt verleden^
tijd?
A. De meer dan volmaakt verledene tijd beteekent,
dat eene.zaak geheel voorbij is, wanneer eene andere
begint; b. v. ik had geschaafd, dat ik hadde ge-
schaafd, enz.
V. Wat geeft de eerste toekomende tijd te kennen ?
A. De eerste toekomende tijd geeft te kennen, dat
de zaak, waarvan men spreekt, nog moet gebeuren, als:
te zullen schaven, ik zal schaven, dat ik zoude scha-
ven, enz.
V. Wat duidt de tweede toekomende tijd Mal
A. De tweede toekomende lijd duidt aan, dat iets
wel toekomend is op den tijd, waarin men spreekt,
maar verleden zijn zal op den tijd, waarvan men spreekt;
b. V. ik zal geschaafd hebben, dat ik zoude geschaafd
hebben, enz.
V. Wat verstaat men door de personen bij de werk-
woorden?
A. Door de personen bij de werkwoorden verstaat
men de onderwerpen, waai^an het bestaan, door de
werkwoorden, aangeduid of gewijzigd wordt.
V. IIoc onderscheidt men die personen bij de werk-
woorden?
A. Men onderscheidt die personen bij de werkwoor-
den, in drie voor het enkelvoud: ik, gij, hij, zij, hel
en men, en drie voor het meervoud: wij gij en zij.