Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
nemer, die op aarde staat, begrenst niet zijn gezichtsvermogen,
daar, als hij zich boven de oppervlakte der aarde verheft, voor-
werpen door hem worden gezien, die verder van hem verwijderd
zijn dan de grenzen van dien gezichteinder. Was nu de gezicht-
einder wel de grens van zijn gezichtsvermogen, dan zou hij,
naarmate hij hooger klom, minder te zien krijgen, en de voor-
werpen , die hij, op aarde staande, zag, zouden bij hooger klim-
men van lieverlede aan zijn oog onttrokken worden; en, klom
hij maar hoog genoeg, dan zou hij ten slotte niets meer zien
van de voorwerpen op aarde. Wij weten nu, dat juist het
tegenovergestelde het geval is, en er meer gezien kan worden
van de voorwerpen op de oppervlakte der aarde, naarmate
men zich verder verheven bevindt boven de oppervlakte. Hoe
hoog men zich ook boven de oppervlakte verheven bevindt, steeds
vertoont de gezichteinder een cirkelvormige gedaante. Dit bewijst
duidelijk, dat de aarde den bolvorm hebben moet.
Opmerking.
Kent men de grootte der aardstraal, dan is door berekening ge-
makkel^ te vinden de straal van 't gezichtsveld voor een gegeven
hoogte boven 't aardoppervlak. Voor den top van den Grosz-
glockner (3796 M.) bedraagt die 29,6 g. m. De gezichtskring
wordt nog iets vergroot door de omstandigheid, dat de licht-
stralen in den dampkring niet volkomen recht, maar eenigszins
gebogen zijn (door straalbreking en refractie). Die vergrooting
bedraagt in normale omstandigheden , zoodat de straal van
den gezichtskring voor den top van den Groszglockner zal bedra-
gen I g X 29,6 = 31,5 g. m. Het zichtbaar worden van berg-
spitsen en lichttorens van bekende hoogte kan den zeevaarder
door gemakkehjke berekening doen vinden, hoe ver liij van de
kust af is. B.v. De lichttoren op Helgoland is 81,6 M. boven
den zeespiegel; stel de hoogte van 't oog des waarnemers op
't schip op 4 M. boven den zeespiegel, zoo zal hij 't licht te
zien krijgen op een afstand van 39,4 K.M. = 5,3 g. m. Zij C' F