Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
de aarde, vrij wel op de hoogte. De tallooze vlekken, reeds met
't bloote oog waar te nemen op de oppervlakte, vertoonen zich bij
't gebruik van een kijker als bergen, wier hoogte, in vergelijking
tot de grootte der maan, heel wat aanzienlijker is dan die der hoog-
ste bergen der aarde, in vergelijking tot deze. De meeste ber-
gen staan op zich zeiven; de gedaante is meestal ringvormig, en
naarmate de omtrekken dezer ringen een grootere of kleinere
middellijn hebben, onderscheidt men ze in ringgebergten en kra-
ters. Midden in den door ringgebergten gevormden ring ver-
toont zich meestal een hooge berg, centraalberg genoemd. Is de
uitgestrektheid, die door den ring als door een wal omgeven
wordt, zeer groot, wijkt die wal aanmerkelijk af van de cir-
kelvormige gedaante, en sluit hij een vlakte in, die verschillende
hoogten en diepten vertoont, dan spreekt men van walvlakten.
Ook berg- en hooglanden ziet men op de maan. Omtrent de
hoogte van de maanbergen is men voldoende ingelicht uit de
schaduwen, die ze op de oppervlakte werpen, en die 'tbest zijn
waar te nemen tijdens de kwartierstanden. De groote donkere
vlekken op de maan beschouwde men vroeger als zeeën, en heeft
ze als zoodanig benoemd, bijv.: marefrigoris, mareimbrium, enz.
Yan dat denkbeeld is men echter sedert lang teruggekomen, om-
dat er op de maan geen water en dus ook geen zee kan zijn;
men weet nu, dat die donkere vlekken geen zeeën, maar wijduit-
gestrekte landstreken moeten zijn.
Phasen der maan.
Als de verlichte helft der maan naar de aarde is gekeerd,
wat plaats heeft als ze in tegenstand is met de zon, dan
vertoont ze zich als een verlichte ronde schijf; 't heet dan
volle maan. Keert ze de donkere zijde naar de aarde toe, wat
plaats heeft, als ze in samenstand is met de zon, dan kunnen we
haar niet zien; 't heet dan nieuwe maan. Is 't volle maan geweest
en neemt 't verlichte gedeelte af, dan spreekt men van laatste
kwartier, als het reeds voor de helft is afgenomen; eerste kwar-